× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† ca 250  Martialis van Limoges

Info afb.

Martialis van Limoges, Frankrijk; bisschop; † ca 250.

Feest 30 juni

Martialis was de eerste bisschop van de Zuid-Franse stad Limoges. Hij heeft de landstreek Limousin tot Christus gebracht. Volgens Gregorius van Tours († 594) behoorde hij tot de zeven eerste missionarissen die vanuit Rome naar Frankrijk werden gezonden om er het christelijk geloof te verkondigen. De andere zes waren Gatianus (of Catianus) van Tours, Trofimus van Arles, Paulus van Narbonne, Saturninus (of Sernin) van Toulouse, Dionysius (of Denis) van Paris, en Stremonius (of Austremonius) van Clermont. Martialis zou ten tijde van de vervolgingen van keizer Decius de marteldood gestorven zijn. Samen met hem worden nog twee priesters herdacht die tot zijn gezellen behoorden: Alpinianus en Austriclinianus.

Hij wordt begraven even buiten de stad Limoges. Op die plek verrijst een heiligdom ter ere van zijn nagedachtenis. Het groeit uit tot een gewild pelgrimsoord, Saint-Martial. Na hun dood worden ook zijn beide metgezellen bijgezet in dezelfde crypte: de ene stond tegen de achtermuur, de ander stond ervoor, met als gevolg dat de sarcofaag van Martialis onbereikbaar was geworden voor verering; de andere twee stonden in de weg. Je kon er geen doodskleed meer uitspreiden en zelfs geen kaars meer opsteken. De bewoners vonden het maar lastig. Maar zie, toen ze op een morgen de crypte binnenkwamen, stonden alle sarcofagen netjes ieder tegen één van de wanden. Met name sinds de merovingische koningen aan de macht zijn is dit heiligdom, dat niet verward moet worden met de hoofdkerk van Limoges die eveneens aan Martialis is toegewijd, bij de pelgrims bijzonder in trek.

Legende

De legende vult aan wat aan historische resultaten ontbreekt. De meeste legendarische feiten schijnen terug te gaan tot de 10e à 11e eeuw.

[200/1]

Martialis was de zoon van Marcellus en Elisabeth. Hij behoorde tot de stam van de Benjaminieten. Hij was een neef van de eerste martelaar Stefanus en zou behoord hebben tot de (twee-en)zeventig die Jezus twee aan twee voor zich uitzond op zijn tocht naar Jeruzalem.

Zie Lukas 10,1 en noot 14 hierboven. De legende doet alle mogelijke moeite om Martialis terug te plaatsen in het evangelie. Dat daarbij tegenstrijdigheden optreden, is niet van belang. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat Martialis jood was (Benjaminiet), en nog onwaarschijnlijker dat hij tegelijk jood was en familie van de (waarschijnlijk niet-joodse) martelaar Stefanus.

Van jongsaf aan zou hij Jezus achternagelopen zijn. Hij zou het kind geweest zijn dat Jezus temidden van zijn leerlingen had neergezet om hen erop te wijzen dat ze moesten worden als een kind om het Koninkrijk der hemelen binnen te kunnen gaan.

Zie Matteus 18,1-5. Ditzelfde wordt overigens ook verteld van Ignatius, bijgenaamd Godsdrager 'Theoforus', bisschop van Antiochië en leerling van de apostel Johannes; onderweg van Antiochië naar Rome, waar hij de marteldood moest ondergaan, schreef hij een aantal brieven. Hij stierf ca 107; feest volgens de nieuwe kalender van 1970 op 17 oktober; volgens het traditionele Romeinse Martelarenboek op 1 februari en 20 december. "Volgens de overlevering was hij het kind dat de Heiland in zijn armen nam en in het midden van zijn apostelen neerzette met de woorden: 'Aan wie zijn zoals zij behoort het Koninkrijk der Hemelen', aldus Mrs. Jameson 'Sacred and Legendary Art, Volume II containing legends of angels and archangels, the evangelists, the apostles, the doctors of the church and St. Mary Magdalene as represented in fine arts' London, Longmans & Green & Co, 1890 p.693.

Hij had Jezus gevolgd vanaf het moment dat deze aan de overkant van het Meer van Tiberias de vijfduizend had gespijzigd met vijf broden en twee vissen. Alle evangelisten vertellen dit verhaal; Matteus en Markus zelfs twee keer. Maar alleen bij Johannes horen we dat er een jongen onder de vijfduizend aanwezigen was die vijf broden en twee vissen bij zich had.

Zie Johannes 6,9.

Welnu, die jongen zou Martialis geweest zijn. Voorts zou hij tafeldienaar zijn geweest bij het Laatste Avondmaal; hij was het dan ook die het water in het bekken had gegoten, waarmee Jezus de voeten van zijn leerlingen zou wassen.

Johannes 13. Prachtige voorbeelden van het verschijnsel dat men een actuele persoon - die historisch gesproken nooit ten tijde van Jezus geleefd kon hebben - in het evangelie terugplaatst. De redenering moet wel zijn: 'Geen wonder dat onze Martialis zo heilig is; Hij heeft Jezus nog gekend; hij heeft het van Hem in hoogst eigen persoon meegekregen!' Dat wordt letterlijk verteld in de legende

Na de hemelvaart van de Heer werd hij door de apostel Petrus zelf gedoopt. Vijf jaren bleef hij bij hem te Jeruzalem en vervolgens nog zeven te Antiochië. Daarbij preekte hij in de omgeving. Tenslotte vergezelde hij hem ook naar Rome, waar ze aankwamen in het tweede jaar van keizer Claudius. Hij verbleef daar een jaar. Toen gaf God aan Petrus in om Martialis naar Frankrijk te zenden met de bedoeling dat hij daar het evangelie van Jezus zou gaan verkondigen om het volk van zijn afgodendienst af te brengen. Twee metgezellen kreeg hij mee: de heiligen Alprannus en Austriclinianus.

Hij koos zich Limoges als bisschopsstad uit. Reeds na zo'n jaar of zes had hij de afgodendienst de kop ingedrukt. Ter vervanging daarvan had hij drie kerken gebouwd, één ter ere van Jezus Christus, één ter ere van diens moeder Maria en tenslotte één ter ere van de eerste martelaar Stefanus. Hij maakte veel bekeerlingen, op de eerste plaats door het woord dat hij sprak, maar ook door zijn wonderen: hij deed zes doden opstaan, maakte vele blinden weer ziend, deed veel stommen weer spreken en verloste vele bezetenen van de boze geesten.

Door deze opsomming van wonderen en genezingen wordt nog eens benadrukt hoezeer Martialis een andere Christus was. Dergelijke opsommingen vinden we trouwens in de evangelies ook over Jezus (vgl. Matteus 14,34-36; Matteus 11,4-6).

Hij werd in heel Frankrijk beroemd, zodat hij zelfs 'Apostel van Frankrijk' genoemd wordt.

Zo genas hij eens de bezeten zoon van een adellijke vrouwe, Susanna genaamd. Zij had ook een dochter Valeria. Deze drie lieten zich tezamen met hun hele huishouding, zo'n zeshonderd man, door Martialis dopen. Toen Susanna na enige tijd stierf, kwam de hertog van Guyenne, Stefanus geheten, opdagen; hij wilde Valeria tot een huwelijk dwingen. Maar zij had in de handen van de heilige bisschop de gelofte van kuisheid afgelegd omwille van Christus. Toen de hertog doorkreeg dat zij niets van hem moest hebben, was hij zo kwaad dat hij haar het hoofd liet afslaan. Zij nam vervolgens haar hoofd op en liep ermee naar het altaar waar op dat moment de heilige Martialis de mis opdroeg. De beul was haar verbijsterd achterna gegaan en bezwoer dat hij engelen om de onthoofde vrouwe heen zag. Daarop zakte hij in elkaar en stierf. Maar Martialis richtte hem op en bracht hem weer tot leven. Bij het zien hiervan bekeerden er zich velen tot Christus; volgens sommigen waren het er wel vijftienduizend. Hij liet een kapelletje bouwen waarin hij het lichaam van Valeria begroef.

Nu hij zoveel mensen voor Christus had weten te winnen, ging hij naar Sint Petrus te Rome om hem verslag uit te brengen. Deze was zielsgelukkig met alles wat hij hoorde. Toen Martialis weer aanstalten maakte om terug te gaan naar zijn mensen, kreeg hij van Petrus diens staf mee. Daarmee bracht hij de gestorven Hildebertus tot het leven terug; deze was een zoon van graaf Arcadius. Andermaal bekeerden zich veel ongelovigen tot Christus.

Nog vele andere wonderen heeft hij verricht, zowel te Limoges als te Bordeaux. In deze laatste stad heeft hij een beginnende brand weten te blussen juist op het moment dat men begon te vrezen dat de gehele stad in vlammen op zou gaan. Op zeer hoge leeftijd, toen zijn lichaam op craquelé geleek en hij door zijn strenge vastenpraktijken uitgemergeld was, gaf Christus hem te kennen dat hij twee weken later zou overlijden.

Op de betreffende dag vermaande hij na de mis voor het laatst zijn mensen. Toen stierf hij. Zijn ziel voer op ten hemel. Dat gebeurde op de laatste dag van de maand juni, vierenzeventig jaren na het Lijden van onze Heer, in het derde jaar van Vespasianus en in het achtentwintigste van zijn bisschopsambt. Zijn lichaam ligt begraven te Limoges. God verleent het schoonheid en kracht door de vele wonderen die er gebeuren.

[Gegevens ontleend aan: Petrus Ribadineira & Heribertus Rosweydus 'Generale Legende der Heylighen met het Leven Iesv Christi ende Marie vergadert wt de H.Schrifture, Oude Vaders, ende Registers der H.Kercke van Nievws vermeerdert ende Ghedeylt in tvvee Deelen' T'Antwerpen by Hieronymus Verdussen inde Camerstraet inden Rooden Leeuw, M.DC.XXXX [1e deel p.682.]

Gregorius van Tours († 594) vertelt in zijn boek 'De glorie van de belijders' enkele wonderen die er bij het graf van Martialis en zijn gezellen zijn gebeurd.

Er was eens een meisje met een verkrampte hand. Ik weet niet ten gevolge van welke zonde precies. Haar vingers zaten vast in haar handpalm. Zij kwam naar het graf van Martialis. Zij stelde vertrouwen op de bemiddeling van Gods belijder. Hij had immers destijds zo gepreekt dat het volk bevrijd was van de boeien van bijgeloof en magie; dan zou hij haar ook wel kunnen bevrijden van een verschrompelde hand. Zo bad zij vurig voor zijn graf, tijdens het officie van de vigilie aan de vooravond van zijn feest. Plotseling werd zij aan zich gewaar hoe haar hand genezen was en hoe zij haar vingers vrij kon bewegen. Het aanwezige volk was er getuige van.

Een man kreeg op de volgende wijze zijn spraak terug. Deze man had, zoals dat bij onontwikkelde mensen van boeren afkomst wil meer voorkomt, een valse eed gezworen in de kathedrale kerk. Spoedig daarna verstijfde zijn tong en werd hij stom. Als hij geluid uitbracht, leek dat nog het meest op het loeien van een stuk vee. Hij nam zijn toevlucht tot het graf van onze belijder en knielde neer. Later zou hij vertellen dat hij het gevoel had alsof iemand zijn strottehoofd aanraakte. Ik voor mij geloof dat dit de kracht van Gods belijder was. De man stond op en met een hoofdgebaar vroeg hij aan één van de daar aanwezige priesters een kruisteken te maken over zijn opeengeklemde kaken. Daarna knielde de man nogmaals neer om te bidden. Toen hij opstond kon hij weer gewoon praten. Aan ieder die het horen wilde vertelde hij wat hij allemaal had doorgemaakt.

In zijn Historiae Francorum (Geschiedenisverhalen van de Franken) vertelt Gregorius van Tours nog een ander verhaal waar Martialis in voorkomt.

Eén van de zonen van koning Lothar I heette Chramn. Van hem tekent Gregorius heel wat wandaden op. Hij had dan ook een slechte raadgever, Leo van Poitiers. Hij droeg - aldus Gregorius - die naam volkomen terecht, want hij ging als een razende tekeer om zijn hartstochten te bevredigen. Deze Leo had serieus beweerd, zo werd gezegd, dat de heiligen, Martinus van Tours en Martialis van Limoges, niets van enige waarde hadden nagelaten aan de koninklijke schatkist. Onmiddellijk was hij geslagen met doofheid en stomheid door de wonderdadige kracht van de beide heiligen; hij kwam als aan zijn eind als een hondsdolle idioot.

Gregorius vertelt uitvoerig over het leven van de heilige Aredius (of Yrieux) van Limoges. Hij sterft aldus. Als hij voor de zesde dag ernstig ziek ligt in de cel van zijn klooster, dat gelegen is even buiten de stad, is er in de stad Limoges een vrouw die al jarenlang bezeten is van een onreine geest. De heilige Aredius was niet in staat geweest haar daarvan te bevrijden. Uit voorzorg had men haar de handen op de rug vastgebonden. Welnu, zij begint plotseling te schreeuwen en te krijsen: "Hollen, mensen! Spring op van vreugde. Als je de stad uitgaat, zul je de heiligen en martelaren te zien krijgen die gekomen zijn voor het afscheid van Sint Aredius. Kijk, daar heb je Julianus van Brioude, en daar Privatus van Mende. Martinus is uit Tours gekomen en Martialis hier uit de stad. Daar heb je Saturninus van Toulouse en Dionysius van Parijs en al die anderen die in de hemel zijn en tot wie jullie zo vaak bidden als Gods heiligen en martelaars." Dit schreeuwde ze allemaal op het moment dat de avond viel. Haar meester bond haar vast, maar zij was niet te houden. Ze verbrak haar boeien en rende naar het klooster, almaar roepend en gillend. Enkele ogenblikken daarna blies de heilige man inderdaad zijn laatste adem uit. Het was voor iedereen duidelijk dat hij door engelen ten hemel werd opgevoerd. Op het moment dat tijdens de begrafenisplechtigheden de sarkofaag gesloten wordt, geneest de vrouw van haar boze geest, ongetwijfeld krachtens de bemiddeling van Sint Martialis.

Verering & Cultuur

Martialis wordt afgebeeld als bisschop (staf, mijter, tabberd) of abt (tonsuur en staf) soms met een boek. Zo nu en dan is hij te vinden in het gezelschap van Petrus.

In zijn kerk te Limoges zijn plafondschilderingen aangebracht. Achtereenvolgens worden afgebeeld:

1 Martialis luistert temidden van zijn vader en moeder naar de prediking van Jezus.
2 Petrus doopt de jonge Martialis.
3 Jezus zet het kind Martialis in de kring van zijn leerlingen en leert hun: als ze niet worden als kinderen zullen ze het Rijk der Hemelen niet binnengaan.
4 Jezus vermaant Petrus (dat hij zuinig moet zijn op de jonge Martialis? dat hij hem onder zijn eigen leerlingen moet opnemen?)
5 Martialis behoort tot de leerlingen van Petrus.
6 Martialis ontvangt van Petrus diens staf.
7 Met Petrus' staf brengt Martialis de gestorven Hildebertus tot het leven terug.
8 Martialis verlost een bezeten vrouw van de boze geest.
9-11 Genezingen en duiveluitdrijvingen door Martialis.
12 Jezus neemt Martialis bij zich op in de hemel.


Bronnen
[102; 104; 143; 145; 200/2]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen