× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 1036  Meinwerk van Paderborn

Info afb.

Meinwerk (ook Maginwercus, Mainwerc, Meginwerk of Meinwercus) van Paderborn, Duitsland; bisschop; † 1036.

Feest 5 & † 11 juni.

Meinwerk werd rond 970 geboren in een Saksische familie van koninklijke bloede. Zijn vader heette Imad (of Immed), zijn moeder Adela (of Adelheid). Hij had nog een broer, Diederik, en twee zussen Azela en Glismoda. Azela trad in bij de zusters van St-Vitus in Hoog-Elten, terwijl de andere trouwde met een Beierse prins. Volgens sommigen was er nog een derde zus, Emma, die bekend zou worden onder de naam Emma van Lesum († 1038; feest 19 april).

Het schijnt dat moeder Adela een onuitstaanbare vrouw was, terwijl Emma zelf een vriendelijk karakter had. Zij huwde met de Saksische graaf Liudger. Eén van hun beide kinderen, Imat, zou later zijn oom Meinwerk opvolgen als bisschop van Paderborn. Na de volkomen onverwachte dood van haar man (1011) wijdde ze zich totaal aan de dingen van het geloof. Ze deed grote schenkingen aan de kerk van Bremen. Daar was sinds 1013 een familielid van haar, Unwan, bisschop. Te Stiepel bij Bochum stichtte zij een kerk, de latere bedevaartskerk. Daarnaast stond zij aan de basis van de St-Ludgerkerk te Werden, opgedragen aan de patroon van haar geliefde echtgenoot. Als ergens ruzie of twist uitbrak, werd zij erbijgehaald om verzoening en vrede te bewerkstelligen. Zij werd bijgezet in de dom van Bremen. Vroeger bezat ook de abdijkerk te Werden relieken van haar. Toen men enige tijd later haar graf in Bremen opende, bleek haar lichaam volkomen vergaan, op de rechterhand na, waarmee ze zoveel goed had gedaan tijdens haar leven.

[103; 104; 105; 106; 109; 111a» E.-Paderborn; 340]

Meinwerk werd bestemd voor een kerkelijke carrière. Voor zijn vorming werd hij naar de beroemde kloosterschool van Halberstadt gestuurd; vervolgens zette hij zijn studies voort in Hildesheim. Daar sloot hij vriendschap met de latere keizer Sint Hendrik II († 1024; feest 13 juli).

Na beëindiging van zijn studies keerde hij terug naar Halberstadt, werd er priester gewijd en tot kanunnik benoemd. Het was keizer Otto III, die hem als persoonlijk raadsman naar het hof haalde. Die functie bekleedde hij ook onder diens opvolger, zijn jeugdvriend Hendrik II.

Na de dood van bisschop Rotharius van Paderborn, werd hij tot opvolger benoemd. Op 13 maart 1009 ontving hij in Goslar de bisschopswijding uit handen van bisschop Willigis van Mainz († 1011; feest 23 februari).

Spoedig daarna vertrok hij naar zijn nieuwe standplaats, waar hij met veel eerbied en vriegde door zijn nieuwe kudde werd ingehaald. De kathedraal, die nog stamde uit de tijd van Karel de Grote († 814), bleek echter tot een ruïne vervallen te zijn. Onmiddellijk toog hij aan het werk, liet de nieuwbouw, waarmee zijn voorganger juist begonnen was, weer afbreken, omdat hij het allemaal te klein vond, en legde het fundament voor een imposant godshuis.

Intussen visiteerde hij zijn bisdom en ging overal persoonlijk poolshoogte nemen van de situatie. Intussen vond hij nog tijd om keizer hendrik aan het hof bij te staan en raad te geven in de oorlogen, die juist uitgebroken waren en om enkele bisschopssynodes bij te wonen. Overal waar hij kwam, wist hij geld en goederen los te krijgen voor de bouw van zijn kerk. Op 13 februari 1013 werd Hendrik in Rome door de paus tot keizer gekroond. Bij diezelfde gelegenheid ontving hij uit handen van de paus een grote hoeveelheid relieken voor zijn kerk. Op de terugweg gingen Hendrik en Meinwerk langs klooster Cluny in Bourgondië. Van daar nam hij dertien monniken mee om in zijn bisdom een nieuw klooster te beginnen. Dat is de stichting van klooster Abdinghofen in 1015. Siegward (of Sigehard) werd er tot eerste abt aangesteld. In dezelfde tijd vernam Meinwerk, dat de kloosterlijke geest in de beroemde abdij van Corvey aan de Weser ernstig in verval was. Hij zette abt Wallon, die daarvoor verantwoordelijk werd gehouden af, en benoemde Druthmar († 1046; feest † 15 februari & 13 augustus), aan wie hij een aantal wijze lessen en regels meegaf.

In september was de nieuwe kathedraal klaar en op 15 september van dat jaar werd ze plechtig ingewijd. Ook de domschool bracht hij weer tot bloei.

Het jaar daarop werd Meinwerk getroffen in zijn persoonlijk leven. Zijn moeder, die na de dood van Imad hertrouwd was met een edelman Baudry, had zich door haar nieuwe echtgenoot op laten stoken om haar andere zoon Diedrik om het leven te brengen. De keizer wilde haar de doodstraf toedienen, maar op verzoek van Meinwerk schonk hij haar gratie. Wel werden al haar goederen verbeurd verklaard en kwamen ten goede aan goede doelen. Zowel Baudry als moeder zouden later ellendig aan hun komen.

Meinwerk bleef de rest van zijn leven actief; hij stichtte kerken en kloosters, en bleef ook aan het hof verbonden onder keizer Hendrik's opvolger Koenraad. Hij stierf op 11 juni, pinksterzaterdag, van het jaar 1036. Hij werd als bisschop opgevolgd door Rudolf van Hersfeld.

In 1376 werd zijn stoffelijk overschot tot de eer der altaren verheven.


Bronnen
[ 122; 132; 180p:123; 270a» 06.11; 304p:24; 500; Dries van den Akker s.j./2000.04.24]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen