× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 349  Maximinus van Trier

Info afb.

Maximinus van Trier, Duitsland; 5e bisschop; † 349.

Feest 29 mei (overbrenging) & † 12 september.

Historisch gesproken was hij de vijfde bisschop van Trier. Naar men aanneemt was hij rond 290 geboren in de plaats Silly (= het tegenwoordige Mouterre-Silly, niet ver van Poitiers); een broer van hem, Sint Maxentius, was bisschop van Poitiers († 353; feest 29 mei).

Hij was door Sint Agritius naar Trier gehaald, had van hem zijn opleiding gekregen, en na de lagere wijdingen ontvangen te hebben werd hij opgenomen in het college van priesters. Toen hij eens gedurende een nachtwake aan het bidden was in de St.-Euchariuskerk, kwam er een geestelijke naar hem toe, Quiriacus genaamd, die hem voorspelde dat hij de volgende bisschop van de stad zou worden. Naar men aanneemt volgde hij rond 13 augustus 332 zijn leermeester Sint Agritius op als bisschop van Trier; volgens anderen gebeurde dat in 329, 330 of in 333. Van hem wordt gezegd dat hij van het christendom de toon aangevende godsdienst maakte in de stad. Hij had veel strijd te leveren met de Arianen.

Als de beroemde bisschop van de Egyptische stad Alexandrië, Athanasius († 373; feest 2 mei), in 336 onder druk van de Arianen wordt verbannen, vindt hij gastvrij onthaal bij zijn collega van Trier. Naar men zegt mede door bemiddeling van Maximinus kan Athanasius in 338 terugkeren en het hem toekomende bisschopsambt alsnog op zich nemen. Op dezelfde manier neemt Maximinus het in 340 op voor de pas benoemde patriarch Paulus i van Constantinopel († 351; feest 7 juni).

Kluizenaarsleven

Athanasius' verblijf te Trier had een opvallend gevolg. De bisschop van Alexandrië werd op al zijn reizen vergezeld van enkele monniken. Van die toen volkomen nieuwe manier om het christelijk geloof te beleven was hij een geweldig bewonderaar. Straks zal hij zijn beroemde boek schrijven over de woestijnheilige Antonius. We mogen aannemen dat hij in Trier met enthousiasme heeft gesproken over het kluizenaarsleven. Het is opvallend dat juist in deze tijd te Cardo (= het huidige Karden), een eind verderop aan de Moezel, een leefgemeenschap van celibatairen ontstaat rond Sint Castor en Sint Potentinus (zie verderop).
[ook: Pnz.1988p:197]

Bisschoppensynodes

In 339 wordt bisschop Athanasius andermaal door de oosterse bisschoppen, die voor het merendeel de leer van Aríus volgen, van zijn zetel verdreven. Nu vindt hij gastvrij onthaal bij bisschop Julius I († 352; feest 12 april) in Rome. In het jaar daarop roept Julius daar een synode bijeen (340-341). De vergadering bestaat vooral uit westerse bisschoppen. De leer van Nicea wordt er nog eens onderstreept, terwijl de veroordeling van het Arianisme krachtig wordt herhaald. Dit veroorzaakt op de synode van oosterse bisschoppen te Antiochië in Syrië geweldig veel consternatie: de westerse collega's verklaren immers hun veroordeling van Athanasius uit het jaar 339 onrechtmatig.

Mede op aandringen van Maximinus en zijn 80-jarige collega Hosius van Cordova († 357/8) stemt paus Julius ermee in, dat er een nieuwe synode bijeengeroepen zal worden om de zaak nog eens zorgvuldig te onderzoeken. Zo komen er belangrijke afvaardigingen van oosterse en westerse bisschoppen bijeen op de synode van Sardica (= Sofia 342-343). Gesteund door Hosius, Maximinus en nog enkele andere westerse bisschoppen houdt Julius er onverkort vast aan de ware leer. Maar hun oosterse ambtsbroeders blijven bij hun mening, dat de verbanning van Athanasius rechtmatig is. Zij zeggen hun vertrouwen in Julius op en erkennen hem niet langer als bisschop van Rome, omdat hij de patriarch van Alexandrië bij zich in huis genomen had. Ze vinden, dat hij net als collega Athanasius verbannen moet worden.

Maximinus in ballingschap

Ontgoocheld keert Julius naar Rome terug. De Arianen ruiken hun kans en stellen een heus 'zondenregister' op van Triers bisschop Maximinus. Daarmee weten zij te bewerkstelligen dat hij op zijn beurt nog in datzelfde jaar in ballingschap moet.

Hoe lang die verbanning geduurd heeft weten we niet. Zeker is wel, dat in de zomermaanden van 345 Sint Athanasius weer even in de stad is. Om aanwezig te zijn bij Maximinus' herstel op de bisschopszetel van de stad? Hoe dan ook bij die gelegenheid zal hij zeker weer begonnen zijn over zijn geliefde onderwerp, het kluizenaarsleven.
[Gb2.1985p:14]

Met collega Servatius van Maastricht († 384; feest 13 mei) is Maximinus aanwezig op de bisschoppenvergadering van Keulen, waar eens te meer de Ariaanse ketterij wordt afgewezen.

Legende van de beerz met zijn reisgezel Martinus in Rome, volgens de legende om de apostelgraven te bezoeken, maar wellicht ook om verslag uit te brengen aan zijn goede vriend Julius. Tijdens deze reis doet zich het wonder voor van de beer. Terwijl Martinus ergens een stad is binnengegaan om eten te kopen, is Maximinus bij de bagage achtergebleven en in slaap gesukkeld. Als hij wakker wordt, ziet hij hoe een beer de pakezel heeft opgevreten. Verontwaardigd gebiedt hij de beer het werk van de ezel over te nemen. Het beest gehoorzaamt gedwee. Dat veroorzaakt in Rome de nodige consternatie. Als ze na het bezoek de stad weer verlaten, hergeeft Maximinus het dier de vrijheid met de waarschuwing zich nooit meer aan iemand te vergrijpen: "Dan zal ook nooit iemand je iets in de weg leggen."
[Fre.1964p:155]

Dit gegeven is bij vele heiligen uit de vroege middeleeuwen te vinden: o.a.  Corbinianus van Freising († 730; feest 8 september), Gallus van St.-Gallen († ca 640; feest 16 oktober), Ghislain van St.-Ghislain († 683; feest 10 oktober), Humbertus van Maroilles († 680; feest 15 maart), Jacobus van Tarantaise († 429?; feest 16 januari), Romedius van Nonsberg († ca 700; feest 15 januari) en Vaast van Arras († 540; feest 6 februari).

Maximinus maakt van de gelegenheid gebruik om naar zijn geboorte grond Aquitanië terug te keren. Tijdens zijn verblijf in Silly wordt hij overvallen door een plotselinge dood. Over de sterfdatum zijn de historici het niet eens: Hinkel en Pierre Pasquier [in zijn aantekeningen bij Grégoire de Tours 'Vie des Pères' Paris, 1985 p:161] geven 346; de Acta Sanctorum en de bezorger van Gregorius' Geschiedenis van de Franken, Lewis Thorpe, zeggen 349 [p:443].

Martinus van Tours 1

Onderzoekers hebben zich afgevraagd of Maximinus' reisgezel, Martinus, dezelfde kan zijn als de latere bisschop van Tours. De Acta menen van niet en zoeken een andere tijdgenoot die in aanmerking komt. Maar Gobry veronderstelt van wel. Laten we aannemen - aldus Gobry - dat Martinus in 341 als pasgedoopt christen het leger verlaat. We horen pas weer van hem als hij in 355 of 356 bij Sint Hilarius van Poitiers verblijft en een monnikengemeenschap begint. Wat doet hij in die tussentijd? Welnu, waar zou een officier die zojuist is afgezwaaid bij een legioen dat gelegerd was aan de Rijn, anders heengaan dan naar het nabij gelegen Trier, op dat moment immers een keizerlijke residentie? Die waarschijnlijkheid wordt alleen maar groter, wanneer men bedenkt, dat deze officier een overtuigd christen is geworden en zich realiseert dat een jaar of vier tevoren de grote Sint Athansius daar onderdak had gevonden. Misschien wist Martinus zelfs wel dat daardoor groepjes celibatairen waren ontstaan. Is het zo ver gezocht te veronderstellen - aldus Gobry - dat onze nieuwe christen werd aangetrokken door dat ideaal en zich aanmeldde bij Maximinus? Wellicht stuurde deze hem naar Sint Castor in Cardo en leefde Martinus daar enige tijd als kluizenaar.

Zal hij straks immers niet tesamen met Hilarius in de buurt van Poitiers Ligugé stichten, dat als eerste klooster van de westerse christenheid geldt? Dit alles wordt nog waarschijnlijker, wanneer we ons afvragen hoe Martinus van Trier naar Poitiers is gekomen. Hij was het inderdaad die Maximinus vergezelde op zijn tocht naar Rome, zoals we in de legende van de beer horen. Vervolgens ging hij met hem mee naar diens geboortegrond. Na het plotselinge overlijden van zijn bisschop, zal Martinus daar gebleven zijn en zich in dienst hebben gesteld van de plaatselijke bisschop. Dat was op dat moment immers nog Maximinus' broer Maxentius! Zo is het volkomen logisch dat hij enige tijd later opduikt in het leven van diens opvolger Hilarius.
[Vgl. Gb2.1985p:87-88]

Verering & Cultuur
Sint Hiëronymus († 420; feest 30 september) noemt Maximinus 'een van de moedigste bisschoppen van zijn tijd'. Gregorius van Tours († 594; feest 17 november) merkt in zijn 'Geschiedenis van de Franken' [i,37] op dat Sint Maximinus vanwege zijn heilige levenswandel grote invloed had.

Hoewel elders gestorven, werd hij door de Trierse bevolking niet vergeten. Het was zijn opvolger Sint Paulinus (zie onder) die zijn relieken naar de stad wist over te brengen. Waar de reliekschrijn voorbijtrok, gebeurden wonderen, aldus de overlevering: zo in Mouzon, Yvoix en Arlon. Hij liet ze bijzetten in de toenmalige St.-Johannesabdij, die later naar hem Sankt-Maximin zou heten. In zijn boekje 'De Glorie van de Belijders' [nr.91] schrijft Gregorius van Tours over hem: 'Begraven in een voorstad van Trier, is Sint Maximinus een doeltreffend voorspreker bij God voor de bevolking van de stad. Er is herhaaldelijk sprake van schitterende wonderen op zijn graf. Tijdens de regeringsperiode van koning Theudebert hield een priester Arbogast in het bijzijn van de koning strijdgesprekken met een Frank. Die gesprekken gingen onderweg gewoon door tijdens de bezoeken die de koning bracht aan de reliekschrijnen in de stad om er te bidden. Ze stonden in de dorpen van Trier. Op het moment dat de priester een boosaardige beschuldiging uitte, draaide de koning zich om met de woorden: "Laat zien dat uw beschuldigingen waar zijn en zweer een eed op het graf van bisschop Maximinus." Waarop de priester zei: "Ik durf uw bevel gerust op te volgen." Onmiddellijk legde hij zijn hand op de heilige graftombe met de woorden: "Door de macht van de heilige mag ik neergeslagen worden, als ik ook maar iets onwaars heb beweerd over de dingen die mijn beschuldigingen jegens de Frank hebben losgemaakt." Maar de vreemdeling begon te weeklagen en werd bijna boos op de heilige. Daarna verlieten ze de kerk. Weer onderweg begon de priester plotseling te wankelen en viel op de grond: dood. Daarop prees de vreemdeling Sint Maximinus' macht, die hij zojuist nog zo had bekritizeerd.'

Op de Trierse bisschoppensynode van 898 werd officieel besloten Maximinus' gebeente te verheffen tot de eer der altaren.

Toen Sint Hildegard van Bingen († 1179; feest 17 september) in 1160 de stad Trier bezocht, stond het St.-Maximinusklooster bekend als de mooiste abdij van het hele bisdom Trier. Zij componeerde een sequens op Sint Maximinus. Hij ademt enigszins de sfeer van het Hooglied:

Sequens op Sint Maximinus
(door Hildegard van Bingen)

De duif keek
door het gaas voor het venster,
waar voor haar aangezicht
de balsem van de stralende
Maximinus heerlijk geurde.
De warmte van de zon kwam op
en scheen in de duisternis
waarin de edelsteen glanst
tot stichting van de tempel
van het allerzuiverste gelukzalige hart.
Een hoge toren van hout
uit de Libanon en cipressen,
versierd met hyacinth en kwarts,
een schitterende stad
die alle kunsten te boven gaat.
Hij liep zo snel als een hert
naar de allerzuiverste waterbron
die in de hoge rots ontsprong
en die de geurende
kruiden bevloeide.
O u, meester der geuren
in de allerzoetste groeizaamheid
de opstijgt uit de tuinen van de koning
als u het heilig offer
van de ram voltrekt.
In uw midden schittert de meester
de muur van de tempel
die de vleugels van de adelaar wilde hebben
en de voedende wijsheid kuste
in de glorievolle vruchtbaarheid van de Kerk.
O Maximinus,
Jij bent berg en dal
In beide de hoge toren
vanwaar de olifant met de steenbok uittrok
en waar de Wijsheid zich verlustigde.
Sterk ben jij en zachtmoedig
in de liturgie van de altaarkoren
opstijgend als een aromatische rook
naar de zuil der lofgezangen
Waar je je inzet voor het volk
dat verlangt naar de weerschijn van het licht
dat in den hoge geprezen wordt.'

Nog in 1324 schrijft Karel IV dat de relieken in het St.-Maximinusklooster elke zeven jaar worden getoond. In 1674 werden de prachtige abdijgebouwen op last van koning Lodewijk XIV († 1715) door de Franse troepen met de grond gelijk gemaakt. Pas in 1987 kwamen bij opgravingen de restanten van een grote kerk aan het licht, gelegen even ten zuiden van de huidige St.-Paulinus.

Maximinus' verering strekt zich uit tot in de wijde omgeving. Tot op de dag van vandaag wordt zijn hoofd bewaard in de kerk van Pfalzel, niet ver van Trier. Naar hem is genoemd het dorp St.-Maximin, tien kilometer ten westen van het Noord-Franse stadje Senlis. In de Ardennen is hij patroon van Jéhonville. Het gehucht Chaumont, dat onder Rulles valt, heeft een St.-Maximinuskerk. Daar is een legende aan verbonden. Vroeger stond er in de kerk van Rulles, aan de overkant van de rivier, een beeld van Sint Maximinus. Maar op een dag troffen de bewoners het aan aan de overkant van het water, in het gehucht Chaumont. Men bracht het terug naar de kerk, maar de volgende morgen stond het weer aan de overkant. Daaruit trokken de bewoners de conclusie dat de heilige daar een kerk of kapel wilde. Er kwam dus eerst een kapel; deze werd in 1819 vervangen door de huidige kerk.

Patronaten
Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen meineed (op basis van de anekdote over de met de dood bestrafte priester die een vreemdeling vals beschuldigde), tegen de gevaren van de zee, en tegen regen.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, mijter, staf) met een boek (verwijst naar zijn vasthouden aan de ware uitleg van het evangelie tegenover de Arianen); of met de beer die zijn bagage moest dragen.

Weerspreuk(en)

'A la Saint-Maximin
Il ne gèle ni blé ni vin.' [TSP.1992p:55]
[Met Sint Maximijn
bevriest koren noch wijn]


Bronnen
[Adr.19--; Bbé.1991; Bei.1983; Bei.1983/1p:105-106; Bei.1983/2p:120-121; bk»Gangulfus-Trier:56; Cgé.1994p:27; Dz2.1896; EnE.1951; EnF.1984; Fre.1964p:155; Gb2.1985; GTC.1988p:91-92; GTF.1974; GTV.1985nr:156/7; Ha2.1839p:350; HiH.1987p:120; Kib.1990/7kol:619; Lin.1999; M& T.1969; Mül.1860; Rge.1942; Rge.1989; Rgf.1991; S& S.1989p:274; S& S.1992; Sen.1985; Tor.1987; TSP.1992p:55.127.128; Vin.1972; Wha.1986; Wmm.1966; Dries van den Akker s.j./2010.06.12]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen