× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 988  Dunstan van Canterbury

Info afb.

Dunstan van Canterbury osb, Engeland; abt & aartsbisschop; † 988.

Feest 19 mei.

Hij was van Angelsaksische afkomst. Meestal wordt aangenomen dat hij in 924 werd geboren. Maar er zijn geleerden die beweren dat 909 meer voor de hand ligt; we zullen straks zien waarom. Zijn wieg stond in Baltonsborough (ook Balsbury) in Somerset, slechts op vier mijl afstand van Glastonbury. Zijn vader heette Heorstan, zijn moeder Kynefrida: beiden waren aristocraten en christengelovigen. Zijn oom Athelm was de eerste bisschop van Bath en Wells; in 914 werd hij benoemd tot aartsbisschop van Canterbury († 923; feest 8 januari).

Zijn vader bracht hem voor een goede opleiding naar de beroemde abdij van Glastonbury in Zuid-West-Engeland, gelegen midden in het water; in die tijd nog een sober, bijna armzalig gebouw. Mistige wolken van Ierse mythen en oude heiligenlegenden hingen rond deze plaats. De eerste nacht de beste had de jonge Dunstan er een droom: een oude man met grijze haren leidde hem door prachtige tuinen en een heilige tempel...

Ierse monniken kwamen en gingen. Volgens een oude overlevering was de apostel van Ierland, Sint Patrick, op deze plek zijn laatste levensdagen komen slijten. Vandaar dat zijn landgenoten die heilige plaats in ere wilden houden. De invloed van de Iers-Keltische cultuur was er dan ook zeer groot. Dunstan bleek er uiterst gevoelig en ontvankelijk voor. Naast kennis van de bijbel en de kerkvaders leerde hij klokken maken, een vaardigheid waar Keltische abten bijzonder beroemd om waren. Bovendien ontwikkelde hij zich tot een kundig goud- en zilversmid, zodat hij in staat was kerkelijke gebruiksvoorwerpen en sieraden te vervaardigen. Hij componeerde en zong liederen en begeleidde zichzelf op de harp; hij kon handschriften verluchten en kerkelijke gewaden voorzien van kunstig borduurwerk.

Legende
Uit deze tijd stamt de legende dat Dunstan herhaaldelijk door de duivel op de proef werd gesteld. Zo verhinderde de demon hem naar de kerk te gaan om er te bidden. De jongeman probeerde zelfs over het dak de kapel in te komen, en haalde daarbij halsbrekende toeren uit. Op dat moment zou er een engel verschenen zijn die de duivel terugwees en Dunstan veilig en wel op de grond deed belanden.

Ongetwijfeld speelt hier op de achtergrond een van Jezus’ bekoringen in de woestijn. De duivel zou Hem hebben meegetroond naar het dak van de tempel met de woorden: “Als U de Zoon van God bent, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: ‘Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven dat zij U op handen nemen, opdat ge uw voet niet zou stoten aan een steen’.”

Toen hij voldoende geleerd had, verhuisde hij als opgroeiende jongen naar het hof van koning Aethelstan, van wie hij in de verte ook familie was. Daar stuitte hij bij zijn leeftijdgenootjes aan het hof op argwaan en verdachtmaking. De liedjes die hij zong, klonken hun vreemd en geheimzinnig in de oren. Wat voor teksten hij zong, weten wij niet. Waren het oude Keltische gezangen die hij van zijn Ierse leermeesters had opgestoken? Of zong hij Latijnse hymnen, die hij in de kerkelijke erediensten had gehoord? Hoe dan ook, ze mochten hem niet. Dat kwam tot een uitbarsting, toen zijn medeleerlingen hem meesleepten naar een modderpoel, hem erin gooiden en vervolgens op hem begonnen te springen en te dansen. Toen ze hun spelletje met hem gespeeld hadden, lieten ze hem halfdood achter. Nu kwamen de honden van de buren er nog eens overheen. Maar plotseling herkenden ze zijn stem en sleepten hem aan hun staart het moeras uit. Hij moet toen verzucht hebben dat het wel de omgekeerde wereld leek: mensen veranderden in bloeddorstige beesten, en beesten in menslievende mensenredders.

Hij zocht een veilig heenkomen bij zijn oom Alfege, bijgenaamd de Kale, waarschijnlijk vanwege zijn monnikstonsuur. Die was sinds 934 bisschop van Winchester († 951; feest 12 maart). Deze bracht hem een diepe liefde bij voor het monniksleven, maar de jongeman kwam niet tot een beslissing. Aan het hof was hij namelijk nogal verliefd geworden... Pas na een ernstige ziekte, die hij als een teken van God beschouwde, gaf hij zich gewonnen. Zo keerde hij na enige tijd terug naar het klooster om er in te treden en monnik te worden. Dat was rond 936. Tezamen met zijn vriend Ethelwold werd hij in diezelfde tijd door zijn oom tot priester gewijd. Hier moeten we terugkomen op zijn geboortejaar: was hij geboren in 924 en op dat moment dus zo'n twaalf jaar oud; of was hij vijfentwintig? Omdat een priesterwijding beter past bij een 25-jarige jongeman dan bij een twaalfjarige knaap, kiezen wij voor 909 als geboortejaar.

Zo keerde hij terug naar klooster Glastonbury waar hij als jongen op school was gegaan. Daar bouwde hij voor zichzelf een celletje, dat zo klein was, dat je er nauwelijks in kon liggen of staan. Hij staat te boek als een toegewijde monnik, die zijn tijd verdeelde tussen gebed, studie en handenarbeid. In 941 werd koning Aethelstan opgevolgd door Edmund. Bij zijn aantreden benoemde hij de veelbelovende Dunstan meteen tot lid van de raad der notabelen, de Witan. Twee jaar later, in 943, werd hij door de koning tot abt benoemd van het klooster.

Legende
Daar gaat een mooie legende aan vooraf. Omdat hij door zijn vriendelijkheid bij veel hooggeplaatste mensen bijzonder geliefd was, werden anderen in zijn omgeving jaloers. Ze maakten hem verdacht en wisten het zover te krijgen dat koning Edmund hem verwijderde van zijn hof. Niet lang daarna ging de koning uit jagen. Zijn honden zaten in de buurt van Cheddam Gorge achter een prachtig hert aan tot het plotseling over een peilloos diep ravijn sprong. De koning zat het dier intussen op de hielen. Op dat moment vreesde hij, dat zijn paard teveel vaart had en dat het met zijn berijder en al in de afgrond zou storten. Hij besefte dat zijn laatste uur geslagen had. In een flits ging zijn leven aan hem voorbij en hij bad in zijn ziel tot God: "Heb dank, almachtige God, dat ik de laatste tijd gelukkig niemand kwaad heb berokkend, behalve dan Dunstan. Als u mij in leven laat zal ik mij onmiddellijk met hem gaan verzoenen." Zijn paard kwam juist voor de rand van de afgrond tot stilstand en Edmund hield zijn belofte. Het eerste wat hij na thuiskomst deed was doorrijden naar Glastonbury. Daar schonk hij een royale gift aan het klooster, viel Dunstan om de hals, smeekte om vergeving en sprak: "Bij deze benoem ik je hier tot abt, en wat je ook verder maar nodig hebt voor de goddelijke eredienst: je hoeft maar te kikken en mijn schenking zal vorstelijk zijn."

Mede door Dunstan's bezielende leiding groeide Glastonbury uit tot een van de belangrijkste studiecentra van Engeland. In die tijd maakte hij een van zijn kinderdromen waar: hij liet de heilige tempel bouwen en de tuinen aanleggen, zoals hij ze als kind in zijn eerste droom na aankomst in Glastonbury had gezien.

Hij schijnt later zelf aan een van zijn leerlingen verteld te hebben dat de duivel hem juist in die tijd vaak kwam kwellen. Als hij zat te bidden probeerde hij hem in de vorm van een beer, een hond of een slang uit zijn concentratie te halen; dat gebeurde zelfs als hij aan het altaar stond. Maar op zulke ogenblikken toonde de heilige abt zich onbevreesd en maakte glimlachend een kruisteken, waarop zo'n ondier zich steevast onmiddellijk uit de voeten maakte.

Intussen was hij benoemd tot raadsman van de koning. Edmund vond de dood in 945 tijdens een banket in een ordinaire vechtpartij met een ongenode gast die hij hoogstpersoonlijk wenste te verwijderen. Hij werd opgevolgd door zijn broer Edred; deze vertrouwde Dunstan volkomen. Zij waren leeftijdgenoten. Edred wilde hem aanstellen tot bisschop van Crediton, de geboortestad van Bonifatius († 754; feest 5 juni). Maar Dunstan weigerde, omdat hij zei zich niet waardig te achten voor zo'n belangrijke post. Daarop werd een ander in zijn plaats aangesteld.

Legende
De nacht daarop verschenen hem de apostelen Petrus, Paulus en Andreas in de slaap. Voor Andreas had hij altijd al een bijzondere devotie gehad. Het was precies zijn geliefde Andreas die hem met een stok een pak ransel gaf en niet zo zuinig ook met de woorden: "Dit is je verdiende loon, omdat je gisteren hebt geweigerd te delen in onze apostolische zending."

In 955 werd Edred opgevolgd door de vijftienjarige Edwy, eigenlijk dus nog een jongen. Toen Dunstan samen met de bisschop van Lichfield namens de Witan de jonge koning erop wees dat zijn voorgenomen huwelijk met Aethelgifu zowel staatkundig als kerkelijk onwettig was wegens te nauwe bloedverwantschap, keerde de bruid zich tegen hem. Zij wist gedaan te krijgen dat hij verbannen werd. Bovendien koelde de koning zijn woede op de nieuwe gebouwen van Glastonbury: hij maakte er een puinhoop van, en confisqueerde alle kloostergoederen die hij maar te pakken kon krijgen. Dunstan zocht intussen zijn toevlucht bij graaf Arnulf in de Vlaamse stad Gent, op dat moment het middelpunt van kloosterlijke vernieuwing onder leiding van de heilige Gerard van Brogne († 959; feest 3 oktober).

Toen drie jaar later tijdens een opstand van zijn onderdanen de jonge Edwy en zijn vrouw het leven lieten, haalde diens opvolger Koning Edgar de Vreedzame, Dunstan naar Engeland terug en maakte hem tot zijn persoonlijk adviseur. In feite was Dunstan zijn kanselier of minister-president. Dunstan bleek niet veranderd. Hij liet Edgar zeven jaar lang streng boete doen voor een ernstige jeugdzonde, alvorens hij hem de absolutie gaf. Waarschijnlijk moeten we hier denken aan het feit dat Edgar in zijn jonge jaren de kloosterzuster Wulfrida had verleid; uit die relatie kwam een kind voort dat zou uitgroeien tot de heilige Edith, abdis van Wilton († 984; feest 16 september); ook Wulfrida zelf zou heilig worden († ca 1000; feest 9 september).

Intussen benoemde Edgar Dunstan tot bisschop van Worcester. Met tranen in de ogen - aldus Dunstan's levensbeschrijver - wees de koning hem op de belabberde toestand waarin het kerkelijk leven zich bevond. Dunstan accepteerde nu de bisschopsbenoeming wel. Hem heugde ongetwijfeld nog de behandeling van zijn favoriete heilige Andreas. De wijdingsplechtigheid werd geleid door aartsbisschop Odo van Canterbury († 959; feest 4 juli). Op het moment dat hij hem wijdde tot bisschop sprak hij de woorden: "... en hierbij wijd ik u tot bisschop van Canterbury..." De omstanders schoten toe om te zeggen dat de oude prelaat zich vergiste: hij moest zeggen 'bisschop van Worcester'. Maar Odo reageerde: "Ik weet heel best wat God door mij heen bewerkstelligt. Zolang als ik leef zal hij bisschop zijn van Worcester. Maar na mijn dood zal hij mij opvolgen op de zetel van Canterbury en leiding geven aan de kerk van geheel Engeland."

Vier jaar later werd Dunstan inderdaad aartsbisschop van Canterbury. Ook dat ging niet zonder slag of stoot. Bij de dood van Odo weigerde Dunstan diens plaats in te nemen. Toen gaf men de zetel aan ene Elfin. Deze vertrok naar Rome om de pauselijke goedkeuring te vragen en het pallium te ontvangen. Dat is een wollen schoudermantel die behoort bij het ambt van aartsbisschop. De aartsbisschop staat aan het hoofd van de bisschoppen. Maar tijdens zijn tocht over de Alpen bezweek Elfin aan de kou. Nu werd de bisschop van Dorset, Brithelm, tot aartsbisschop aangesteld. Maar reeds na een paar dagen bleek dat deze man niet opgewassen zou zijn tegen de verantwoordelijkheden die hem wachtten. Maar al te graag deed hij weer afstand van zijn ambt. Andermaal wendden de koning en de toonaangevende klassen zich tot Dunstan met het verzoek de leiding van de Engelse kerk op zich te nemen. Nu zag hij geen enkele kans meer te weigeren. Paus Johannes XII († 964) maakte hem bovendien tot persoonlijk afgezant van de paus in Engeland.

Tezamen met de heilige bisschoppen Ethelwold van Winchester en Oswald van York ijverde hij voor een kerkelijke en kloosterlijke heropleving. Van hun wetten en aanbevelingen is een enorme werking ten goede uitgegaan.

Na Edgar's dood kwam de jonge koning Edward op de troon. Daar had Dunstan als voorzitter van de Witan een stevige hand in gehad. Dunstan was voor hem als een vader. Edward werd het slachtoffer van een moordaanslag. De historici menen dat dit nog een nasleep was van de troonopvolgingskwestie. Een antikloosterlijke partij uit het gewest Mercia koos tegen Dunstan en diens beschermeling en schoof Edwards halfbroer Ethelred naar voren. Deze was nog jonger dan Edward.

Tot drie keer toe hield de witan een bijeenkomst om de conflicten uit te praten. Tijdens de tweede bijeenkomst te Calne, zakte de vloer onder de prelaten weg; de hele vergadering stortte een verdieping omlaag waarbij een aantal aanwezigen om het leven kwamen. Dunstan was blijven hangen aan een uitsteeksel…

Het eind van het verhaal vermeldt dat Edward werd gedood in de avondschemering bij de stadspoort van Corfe, en dat hij zonder enig plechtig vertoon werd begraven. Al gauw begonnen er wonderen te gebeuren op het graf van de jonge koning. Hij werd als een heilige vereerd en staat sindsdien bekend als Edward de Martelaar († 979; feest 18 maart). Deze kwestie maakte een eind aan Dunstan's politieke activiteiten. De laatste tien jaren horen we weinig meer van hem.

Hij stierf op zaterdag na Hemelvaartsdag tijdens het ochtendofficie in de Christ-Churchkathedraal te Canterbury. In diezelfde kerk werd hij enkele dagen later ook bijgezet.

Verering & Cultuur
Toch bestaat er meningsverschil over de vraag of zijn stoffelijk overschot zich bevindt te Canterbury of in zijn geliefde klooster Glastonbury. In 1012 vielen de Noormannen Kent binnen, verwoestten alles wat ze tegenkwamen, en roeiden zowat de gehele bevolking uit tot Londen aan toe. Bij die gelegenheid bleef er van Canterbury's kathedraal geen steen op de andere. Aartsbisschop Alfege, die in 1006 was aangetreden, werd gevangengenomen, gemarteld en gedood († 1012; feest 19 april). Van de 8000 monniken die het plaatselijke klooster bevolkten bleven er van de lagere orde nog maar achthonderd in leven, en slechts vier van de eigenlijke monniken zelf. Deze waren oorspronkelijk afkomstig uit Glastonbury, en waren destijds met Dunstan meegekomen naar Canterbury om hem te assisteren en er een nieuwe kloostergemeenschap te vestigen. Na zijn dood hadden zij zijn lichaam eerbiedig begraven en waren in dienst getreden van Alfege, die zelf ook monnik was geweest in hun geliefde Glastonbury. Zij waren naar hun oorspronkelijke klooster gevlucht en deden er verslag van de gruwelijkheden die zij meegemaakt hadden. Er werd besloten dat ze terug moesten gaan naar Canterbury om de resten van hun dierbare heilige vader Dunstan op te gaan halen. Hun opdracht was zo belangrijk dat zelfs hun namen zijn overgeleverd: Sebricht, Ethelbricht, Bussius en Adelworde, bijgenaamd Quadrens (= 'de Dikkerd').

Bij aankomst bleek Canterbury een troosteloze puinhoop. Geen levende ziel te bekennen. Zonder moeite vonden ze de plaats waar Dunstan begraven lag; ze hadden hem er destijds zelf te rusten gelegd. Ze openden de sarcofaag en troffen inderdaad het gebeente aan van de heilige bisschop. Het vlees was intussen vergaan. In gedrukte stemming legden ze alles met grote eerbied bij elkaar en herkenden de ring die ze hem bij zijn begrafenis aan de vinger hadden geschoven: dat was nog een stuk geweest dat hij in zijn jonge jaren als leerling-goudsmid zelf had gemaakt. Toen keerden ze naar hun klooster terug, ondanks alles verheugd dat hun moeilijke opdracht zo goed was verlopen en dat ze nu zo'n kostbaar goed in hun midden hadden.

De monniken troffen maatregelen om er voor te zorgen dat ze hun heilige niet zo gemakkelijk weer kwijt zouden raken. Ze voorzagen immers dat Canterbury ooit weer uit zijn as zou herrijzen. Vroeg of laat zouden de gelovigen vandaar vast en zeker in Glastonbury komen aankloppen om de relieken van hun Dunstan op te eisen, wie weet zelfs kwaadschiks. Daarom wezen ze twee oudere monniken aan die bekend stonden om hun stilzwijgen. Zij kregen de opdracht de relieken op een geheime plaats te begraven en er niemand iets van te zeggen tot het moment dat ze hun einde voelden naderen. Pas op dat moment moesten ze op dezelfde discrete manier een andere monnik het geheim toevertrouwen. En zo tot in lengte van dagen. De beide kloosterlingen legden de heilige overblijfselen in een houten kist, schilderden op de rechter binnenwand de letter 'S' van 'Sint' met een sierlijke bloemkrul en op de linker de 'D' van 'Dunstan' eveneens met zo'n sierlijke bloemkrul en metselden hem in onder een gemerkte steen in de kerk rechts achter de ingang waar de monniken binnenkwamen voor het koorgebed en zich besprenkelden met wijwater. Vele voeten zijn er overheen gelopen zonder ooit iets gemerkt te hebben.

Daar hebben de heilige resten 172 jaar gelegen. Toen kwam de plek aan het licht ten gevolge van de grote brand die het klooster trof in 1184.

Wat er waar is van al deze verhalen? We weten het niet. Zeker is, dat Sint Dunstan's relieken nog altijd worden vereerd in Canterbury's kathedraal.

Patronaten
Hij is patroon van de sloten- en sleutelmakers, van bankwerkers en monteurs; van smeden en goudsmeden en van musici.

Afgebeeld
In de kunst wordt hij afgebeeld met een duivel die hij bij de neus vasthoudt of vastgeklemd heeft tussen de tanden van een pincet.


Bronnen
[000; 000»Aldhelm-Sherborne(folder); 000»Alfege:boek:50.51; 000»sys; 006; 101; 101a:169; 111p:139; 113; 122; 127; 142jr:0988; 150p:53; 152p:23; 198p:53-64; 200/1:05.19; 297p:429; 293p:96; 314; 337p:9; 345p:130; Ashe, Geoffrey 'King Arthur's Avalon. The Story of Glastonbury' Glasgow, Collins, 1956 Fontana 3225; Cowie:73(p:68:aan voeten Xti); Dries van den Akker s.j/2010.05.21]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen