× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 12e eeuw?  Gentius van Monteux

Info afb.

Gentius (ook Gein, Geins, Gence, Gens of Gentius) van Monteux bij Avignon, Zuid-Frankrijk; kluizenaar; † 12e eeuw (of toch later?).

Feest 16 mei.

Het span met behulp waarvan hij in de eenzaamheid zijn schamele land bewerkte, bestond uit een rund en een wolf. Tijdens grote droogte kwam de plaatselijke bevolking hem onder leiding van zijn moeder, Imberta, om zijn voorspraak vragen. Hij stak twee vingers in de rotsen en onmiddellijk spoot er water en wijn uit. Hij zou al op tweeëntwintigjarige leeftijd gestorven zijn.
[Gué.1880/5p:606; Pra.1988]

Bij de afbeeldingen
Hierbij de vertaling van de geromantiseerde versie zoals Hilaire Enjoubert die geeft bij de sfeervolle illustraties van Maurice Lalau.
Het leven van Sint Gens, zoals de Bollandisten dat geven, is meer dan geloofwaardig. Over de tijd waarin hij leefde hoeft geen twijfel te bestaan. Immers de volksoverlevering is er uitermate duidelijk en precies in: hij leefde aan het begin van de 12e eeuw. Juist dankzij het gebrek aan geschreven documenten is wonderlijk genoeg de waarheid tot ons gekomen. We mogen ons er gelukkig om prijzen. Liever een snoer van levendige herinneringen dan een kil heiligenverhaal. Nee, de geschiedenis kan nooit op tegen de Gulden Legende.

De kleine Bournareau was een mooi kind, hij keek schrander uit zijn ogen, was sociaal voelend en deelde graag aalmoezen uit. Omwille van dit alles gaf men hem de bijnaam Gens, ontsproten aan onuitsprekelijke menselijke gevoelens. Tot aan zijn zestiende leefde hij temidden van zijn vriendjes, en verbaasde ieder door de zuivere eenvoud van zijn ziel.
“Gens,” zo zei hem op zekere dag zijn moeder Imberta, die al heel lang weduwe was, “ik heb als toekomstige vrouw voor jou uitgekozen, de kleine Lucia, een weeskind. Kijk, daar zit ze.” Hij raakte er opgewonden van; het bezorgde hem schitterende visioenen. Maar toen werd hij aangeraakt door een genade die diep tot hem doordrong. Zij gaf hem te zien wat hij behoorde te doen in dit leven. Hij moest het bestaan van een kluizenaar op zich nemen in de eenzaamheid van de woestijn.

In die tijd noemde men De Woestijn een kurkdroog dal waar hier en daar een dorre doornstruik groeide tussen verdwaalde rotsblokken. Gens nam het lange tijd in ogenschouw, toen mompelde hij: “Dit ga ik veranderen in een vruchtbare vallei.” Er kwamen twee sneeuwwitte koeien op hem toegelopen. Hij verwonderde er zich niet eens over. Wekenlang was hij onafgebroken aan de arbeid, en stilaan veranderde de harde ondergrond in vette aarde waar allerlei gewassen uit opkwamen.
Op een morgen werd hij gewekt door een warme adem tegen zijn wang. Het was een van zijn koeien die erbarmelijk loeide. De andere was er niet meer. Opgevreten door de wolven. Hij wierp zich ter aarde en bad de hemel om hulp. Want die had hij nu hard nodig. Vrijwel onmiddellijk hoorde hij trippelpasjes. Hij keek op: het was een wolf die heel nederig, onderdanig aan zijn voeten kwam liggen. Gens begreep wat God hiermee zeggen wou. Voortaan zouden de wolf en de koe zij aan zij zijn ploeg trekken. Bij het vallen van de nacht verdween de wolf de bergen in naar zijn broeders. Maar bij het ochtendkrieken nam hij zijn juk weer op zich. En van de vroege morgen tot de late avond trok dat merkwaardige koppel daar in die smalle woestijn heen en weer: de witte koe die allang niet meer verbaasd was, en de bruine wolf, met de tong uit zijn bek, en tot het uiterste gespannen. Zo trokken zij hun voren die zich verloren in de verte.

Terwijl dit zich allemaal afspeelde in de Woestijn, werd Monteux getroffen door een geweldige droogte. De hemel leek wel een oven, en de velden lagen erbij als waren ze getroffen door een enorme vuurzee. De verdroogde bomen en struiken waren bedekt met een laag as. En het  gezang van de bronnen was nergens meer te horen.
Men besloot Imberta aan het hoofd van een processie te plaatsen. Zo zouden ze naar de kluizenaar gaan om zijn hulp in te roepen en verkoeling vanuit de hemel af te smeken voor de aarde en henzelf. Zodra Gens zijn moeder ontwaarde, snelde hij op haar toe. De arme Imberta huilde van geluk bij het weerzien; ze kalmeerde onder de liefkozingen van haar zoon. Met een dun stemmetje sprak zij: “Ik heb zo’n dorst.”
Gens stapte op een enorme rots toe en duwde er met zijn rechterhand twee vingers in, alsof het een klomp klei was. Onmiddellijk spoot uit één van de beide gaten vloeistof te voorschijn: fris, helder water. Het stroomt er nog altijd en de weldaden ervan zijn beroemd in heel de Provence. Vanuit het andere gat schitterde iets roods in de zon. Wijn! Licht en fruitig. Die stroomt er tegenwoordig niet meer, maar wel is er nog steeds een roodkleurige groef in de rots te zien.
De lange stoet keerde terug naar Monteux in een heerlijke regenbui. De oogst was overvloedig. Een oud gezang bevestigt dat met een onbetwistbaar gezag.

Gens stemde erin toe in het ouderlijk huis wat rust te nemen. Daar trof hij Lucia.
Het meisje was waarschijnlijk onder de indruk van zijn heiligheid. Ze durfde haar mooie onschuldige ogen die spraken van de zuiverheid van haar ziel, nauwelijks naar hem op te slaan. En Gens, koortsig door de meditaties die hem bezighielden, joeg zijn extatische dromen na, en zag niets van wat er omheen gebeurde, in beslag  genomen als hij was door zijn mystieke vurigheid.
Op een avond zag hij plotseling het lieve, zachte gelaat van Lucia vóór zich. Hun blikken ontmoetten elkaar voor de eerste keer, en bleven lang op elkaar gevestigd, alsof ze nooit meer van elkaar los zouden komen. Gens verbleekte, een rilling voer door hem heen, en bruusk stond hij op. Met een vreemde stem kondigde hij aan dat hij vertrok naar een ver land. Na een kort vaarwel, waarmee hij het hart brak van twee arme mensen, verdween hij in de nacht.

Hij is nooit meer naar Monteux teruggekomen. Na zijn terugkeer uit Spanje bleef zijn pelgrimsstaf ongebruikt, en nam hij het eenzaam bestaan van kluizenaar weer op zich. Daar hakte hij een graf voor zich uit in één van de rosten; al naargelang het spel van het licht leek het nu eens wit als sneeuw, dan weer hemelsblauw. Op het uur dat hem werd geopenbaard ging hij erin liggen en stierf. Tweeëntwintig jaar oud.


Bronnen
[Dries van den Akker s.j./2011.03.14]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen