× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 1271  Johannes van Penna San Giovanni

Johannes (ook Giovanni) van Penna San Giovanni ofm, Italië; franciscaan; † 1271.

Feest 3 april.

Over hem wordt uitvoerig verteld in het 45e hoofdstuk van De Bloempjes van Franciscus, dat de titel draagt 'Over de intrede van Broeder Johannes van Penna in de Orde, over zijn leven, zijn wonderen en zijn dood'. 'De Bloempjes van Franciscus' zijn een aantal anekdotes uit het leven van Franciscus van Assisi († 1226; feest 4 oktober) en zijn eerste gezellen. Ze werden opgetekend begin 14e eeuw. Het hoofdstuk over Johannes van Penna wordt, blijkens een terloopse opmerking, verteld door een zekere broeder Hugolinus:

'Toen broeder Johannes nog als jongeman in de wereld leefde in de provincie van La Marca, verscheen hem op zekere nacht een wonderschone jongeling, die hem bij zijn naam noemde en zei:

"Johannes, ga naar Santo Stefano, waar een van mijn broeders aan het preken is, volg zijn aanwijzingen en luister naar zijn woorden, want ik heb hem daarheen gestuurd; en als je dat gedaan hebt, zul je een grote reis moeten ondernemen, en dan kom je tenslotte bij mij."

Ogenblikkelijk stond hij op en voelde een grote verandering in zijn ziel teweeggebracht. Toen ging hij naar Santo Stefano en trof er een grote menigte mannen en vrouwen, die daar stonden te wachten om naar de predikatie te luisteren. En degene die moest preken, was een broeder, Filippus geheten, die behoorde tot de eersten die naar het gebied van Ancona waren gegaan. Er waren toen dan ook nog weinig kloosters in dat gebied.

Die broeder Filippus ging dan de kansel op en hield een zeer schone preek waarin hij het koninkrijk Gods verkondigde, niet met woorden van menselijke wijsheid, maar in de geest van Christus. En toen de preek beëindigd was, ging de jongeman naar Filippus toe en zei hem:

"Vader, als u mij in de Orde zou willen opnemen, zou ik graag boetvaardigheid doen en in dienst treden van onze Heer Jezus Christus."

En daar broeder Filippus in de jongeman een uitzonderlijke onschuld onderkende en de vaste wil om God te dienen, zei hij hem:

"Kom mij op die en die dag te Racanati opzoeken, en dan zal ik u in de Orde opnemen."

In dat klooster zou namelijk het provinciaal kapittel gehouden worden. Nu dacht die jongeman in zijn onbevangenheid, dat dat de grote reis was, waarover in het visioen was gesproken, en dat hij daarna naar de hemel zou gaan, hetgeen - naar hij geloofde - onmiddellijk zou gebeuren, nadat hij in de Orde zou zijn opgenomen. Hij ging dus op weg en wérd ook in de Orde opgenomen.

Maar toen hij bemerkte dat zijn bekering niet uitkwam, en de minister-provinciaal in het kapittel bekend maakte, dat hij aan ieder die naar de provincie van de Provence wilde gaan, daartoe met de verdienste van de heilige gehoorzaamheid, gaarne verlof zou geven, kwam er een groot verlangen in hem op daarheen te gaan in de veronderstelling, dat dat dan de reis was, die hij moest ondernemen, alvorens naar de hemel te gaan. Maar hij schaamde zich om het te zeggen. Doch tenslotte nam hij broeder Filippus, die hem in de orde had doen opnemen, in vertrouwen en verzocht hem vriendelijk hem de toestemming te bezorgen naar de provincie van de Provence te gaan. En broeder Filippus, die heel goed zag dat zijn bedoeling volkomen zuiver en heilig was, verkreeg die toestemming voor hem.

Daarop begaf broeder Johannes zich vol blijdschap op weg in de vaste overtuiging dat hij na die reis naar de hemel zou gaan.

Doch het was Gods wil, dat hij vijf-en-twintig jaar lang in die provincie bleef met een hart vol verwachting en verlangen. En daar leidde hij een zeer deugdzaam en heilig en voorbeeldig leven, steeds toenemend in deugd en genade bij God en bij de mensen. En de broeders en de mensen in de wereld hielden heel veel van hem.

Toen nu broeder Johannes op zekere dag heel vroom aan het bidden was, en weende en zich beklaagde, omdat zijn verlangen steeds maar niet vervuld werd, en zijn aardse pelgrimstocht zich al te lang rekte, verscheen hem Christus, de gezegende. Bij dat visioen versmolt zijn ziel van verrukking. En Christus sprak tot hem:

"Broeder Johannes, mijn zoon, vraag Mij wat je wilt."

En hij antwoordde:

"Mijn Heer, ik weet niets anders te vragen dan U zelf, want ik heb geen andere wens. Alleen bid ik U, dat U mij al mijn zonden vergeeft en mij de genade schenkt U nogmaals te mogen zien op het ogenblik dat ik er het meest behoefte aan heb."

Toen zei Christus:

"Je gebed is verhoord!"

En na deze woorden verdween Hij, broeder Johannes volkomen vertroost en gesterkt achterlatend.

Toen de faam van zijn heiligheid tenslotte doordrong tot de broeders van La Marca, drongen zij zozeer bij de generaal van de Orde aan dat deze hem opdracht gaf naar La Marca terug te keren. En toen hij die opdracht had ontvangen, ging hij blij op weg in de mening, dat hij volgens Christus' belofte na die reis naar de hemel zou gaan. Maar eenmaal teruggekeerd in de provincie van La Marca, leefde hij daar nog dertig jaar, onbekend voor al zijn familieleden, iedere dag verwachtend, dat God in zijn barmhartigheid de hem gegeven belofte zou vervullen. In die tijd bekleedde hij meerdere malen en op voorbeeldige wijze het ambt van gardiaan, en God verrichtte middels hem vele wonderen.

Zo had een van zijn novicen bij zijn afwezigheid een hevige aanval van de duivel te verduren, die hem met zulke hevige bekoringen bestookte, dat hij ervoor zwichtte en het voornemen maakte de Orde uit te gaan, zodra broeder Johannes weer terug zou zijn. Doch broeder Johannes, die door de geest van profetie op de hoogte kwam van die bekoring en van dat besluit, keerde ogenblikkelijk naar het klooster terug, riep de bewuste novice bij zich en legde hem op zijn biecht te spreken. Maar alvorens zijn biecht te horen, ontvouwde hij hem heel zijn bekoring, zoals God hem die geopenbaard had en besloot:

"Mijn zoon, daar je op me gewacht hebt, en niet zonder mijn zegen wilde vertrekken, schenkt God je de genade dat je de Orde nooit zult verlaten, maar met Gods genade er tot aan je dood in zult volharden."

Daardoor werd die novice in zijn goede wil gesterkt en bleef hij in de Orde waar hij een heilige broeder werd.

En dit alles is mij, broeder Hugolinus, door diezelfde broeder Johannes verteld.

Het was ook een man met een blij en rustig karakter. Hij sprak zelden, maar hij bad veel en innig, vooral na de metten, want dan ging hij nooit naar zijn cel terug, doch bleef hij bidden tot het dag werd. En toen hij zo op zekere nacht na de metten aan het bidden was, verscheen hem een engel Gods en zei:

"Broeder Johannes, de reis waar je zo lang op gewacht hebt, is nu volbracht. En daarom deel ik je namens God mede, dat je iedere genade kunt vragen die je maar wilt. Tevens deel ik je mede, dat je vrijelijk kunt kiezen om ofwel een dag in het vagevuur te blijven ofwel zeven dagen van smart en pijn op aarde te ondergaan."

En toen broeder Johannes zeven dagen van smart en pijn op aarde verkozen had, overvielen hem terstond verscheidene ziekten: een hevige koorts, reumatiek aan handen en voeten, hevige pijn in de zij en nog vele andere kwalen. Maar het ergste van al was, dat een duivel hem verscheen met een groot papier in de hand, waarop alle inwendige en uitwendige zonden beschreven stonden die hij ooit had begaan. En die duivel zei hem:

"Wegens deze zonden, die je hebt bedreven met gedachten, woorden en werken, word je in het diepst van de hel geworpen."

En hij kon zich geen enkel goed herinneren, dat hij gedaan had, en ook wist hij niet meer, dat hij in de Orde was of er ooit in was geweest. En zo meende hij dan ook verdoemd te zijn, zoals de duivel hem gezegd had. En toen men hem vroeg, hoe hij maakte, zei hij daarom:

"Slecht, want ik ben verdoemd."

Toen lieten de broeders een oude broeder halen, Matteus van Monte Rubiano genaamd, die zeer heilig en een groot vriend van broeder Johannes was. Die broeder Matteus kwam op de zevende dag van de kwelling bij het ziekbed van broeder Johannes aan en zei hem:

"Herinner je je niet, dat je dikwijls bij mij gebiecht hebt en ik je volledig ontslagen heb van al je zonden? Herinner je je ook niet, dat je God in deze heilige Orde vele jaren gediend hebt? En herinner je je misschien ook niet, dat Gods barmhartigheid alle zonden van de wereld te boven gaat, en dat Christus, onze gezegende verlosser, een prijs van oneindige waarde heeft betaald om ons vrij te kopen? Heb daarom goede hoop, want het is zeker dat je zalig wordt."

En terwijl hij nog sprak, verstreek de termijn van de beproeving van broeder Johannes: de bekoring verdween en maakte plaats voor innerlijke rust en vrede.

Toen zei broeder Johannes blij en opgewekt tot broeder Matteus:

"Je bent vermoeid en het is al laat; daarom verzoek ik je dringend wat te gaan rusten."

Broeder Matteus wilde hem echter niet alleen laten. Maar omdat hij zo aandrong, ging hij tenslotte toch weg om wat te gaan rusten. Toen bleef broeder Johannes alleen met de broeder die hem verpleegde. En even later verscheen hem Christus, de gezegende, in een stralend licht, dat gepaard ging met een onbekende heerlijke geur, volgens de belofte die Hij hem had gedaan om hem namelijk nogmaals te verschijnen, wanneer hij er het meest behoefte aan had. En Christus genas hem volkomen van alle ziekten en kwalen. Toen dankte Hem broeder Johannes met gevouwen handen, dat Hij zijn grote reis van dit ellendig leven tot zo'n goed einde had gebracht, en in Christus' handen zijn ziel bevelend, ging hij van dit sterfelijk leven over naar het eeuwig leven met Christus, gezegend zij zijn naam, naar wie hij zo lange tijd had verlangd en gehaakt.

En deze broeder Johannes ligt begraven in het klooster van La Penna di San Giovanni.

Tot lof van Christus. Amen.'


Bronnen
[000» Bloempjes van Franciscus:hfdst:45; 101a; Dries van den Akker s.j./1999.07.09]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen