Overzicht BM  m Gastenboek m Vertel verder m Contact
Andreas 

        De website met meer dan 5535 heiligen, 4226 voornamen en 8451 afbeeldingen        

WelkomHeiligenMissaalheiligenHeiligenkalenderHeiligen op naamPatronatenVoornamen SJ Meer

† 1621  Jan Berchmans 


Info afbeeldingen
 Inhoud van deze pagina  Algemeen
Het Gewone met Liefde
Roeping

Jan Berchmans sj, Rome, ItaliŰ; religieus & student; ć 1621.

Feest ć 13 augustus & 26 november.

Jan Berchmans werd op 12 maart 1599 te Diest (BelgiŰ) geboren als oudste van vijf kinderen. Zijn vader, eveneens Jan geheten, was schoenmaker en ÚÚn der schepenen van de stad. Zijn moeder heette Elisabeth van den Hove; zij was een vrome vrouw, die veel ziek was.

Jans ouders hadden gehoopt, dat hij zou meehelpen in de zaak. Maar Jan zelf vatte al zeer jong het ideaal op om priester te worden. Op zijn negende jaar kreeg hij de kans om naar de plaatselijke school te gaan, terwijl hij met een aantal jongetjes die hetzelfde ideaal hadden als hij, intern leefde in het rectorshuis van de Onze-Lieve-Vrouweparochie. De pastoor gaf hem les in alles wat met kerk en geloof te maken had. Jan was een uitnemende leerling. Maar na de beŰindiging van zijn derde schooljaar in 1612, haalde zijn vader hem er af. Er was eenvoudig geen geld. Toen de pastoor van het begijnhof te Diest hiervan hoorde, bood hij vader aan, dat hij Jan in huis zou nemen als huisknecht; in ruil daarvoor zou hij zijn opleiding betalen.
Reeds een paar weken later verhuisde hij onder dezelfde condities naar kanunnik Jan Froymont in Mechelen. Opvallend was, dat hij alle klusjes die hij op te knappen kreeg (tafeldekken en afruimen, huis schoonhouden, boodschappen rondbrengen, tuin bijhouden, voor twee jongere mede-internen zorgen), met zo'n opgewekt gemoed deed.

In 1615 openden de jezu´eten een college in Mechelen. Jan ging daarheen om zijn studies af te maken, en wilde jezu´et worden. Het was vooral het levensverhaal van Aloysius van Gonzaga (ć 1591; feest 21 juni), dat hem daartoe inspireerde.

Intussen was dat de zoveelste tegenvaller voor zijn ouders, die hem graag in de buurt hadden gehouden als parochiepriester. Tenslotte gaf vader toe. Jan was op dat moment 17Ż jaar oud. Hij trad in het noviciaat van de paters jezu´eten op 24 september 1616. Daar leerde hij van zijn geestelijk leidsman de eenvoudige doch glanzende levenswijsheid die je als program boven heel zijn leven zou kunnen schrijven: 'Heiligheid bestaat niet in het verrichten van buitengewone dingen, maar in het buitengewoon verrichten van gewone dingen!' Nog tijdens dat eerste jaar kreeg hij in de maand december bericht, dat zijn moeder was overleden. Vader zou kort daarna de schoenmakerswinkel sluiten, zelf de priesterstudies op het seminarie aanvatten en twee jaar later al, in april 1618, priester worden gewijd.

Zoals elke jezu´et legde Jan na zijn twee jaar noviciaat de religieuze geloften af van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In september van datzelfde jaar 1618 begon hij in Antwerpen aan zijn filosofische studies. Daar gaven ze hem te verstaan dat hij was uitgekozen om zijn studies in Rome te voort te zetten. Hij had gehoopt op weg naar Rome zijn vader nog in Mechelen te kunnen treffen voor een afscheid, maar in plaats daarvan kreeg hij te horen, dat vader juist gestorven was, nog geen zes maanden na diens priesterwijding.

Jan arriveerde in Rome op de laatste dag van december 1618. Hij voltooide zijn drie jaar filosofie met glans, en werd gevraagd om het traditionele Openbaar Dispuut namens de jezu´etenopleiding aan te gaan. Niemand echter realiseerde zich, dat hij het gewone met buitengewone zorg verrichtte en hoeveel werk hij daarvoor verzette. Tot diep in de nacht. Het dispuut verliep prachtig, maar meer nog viel zijn ongezonde kleur op.

Hij bleek aan dysenterie te lijden, en zo verzwakt te zijn, dat er eigenlijk al niets meer aan te doen viel. Hijzelf sprak op zijn ziekbed met grote vanzelfsprekendheid over het paradijs... Huisgenoten, medestudenten, paters die in de stad waren, en zelfs Pater Generaal kwamen hem opzoeken om afscheid te nemen. In de kring van de communiteit ontving hij het sacrament der stervenden op 12 augustus 1621; een aanwezige noteerde later, dat Jan zelf de enige was die niet huilde en heel nuchter zijn kalmte bewaarde. De slapeloze nacht daarop bracht hij in gebed door. Toen de volgende morgen om even over acht de klok aanhoudend luidde van het huis, wist iedereen: onze broeder Jan is gestorven.

Zoals gebruikelijk in de jezu´etenorde schreef een huisgenoot - in dit geval zijn overste - een karakteristiek van de overledene, waaruit wij het volgende citeren: 'Wat wij allemaal zo in hem bewonderden, was dat hij zo deugdzaam was, zo... vanzelfsprekend deugdzaam. Met Gods genade wist hij van alles wat hij aanpakte iets bijzonders te maken; iets wat precies was zoals het moest zijn.'

Voetnoot over de keuze van 26 november als feestdag voor Jan Berchmans

Nergens heb ik tot nu toe aangetroffen waarom Jan Berchmans niet op zijn sterfdag, 13 augustus, wordt vereerd. Wellicht omdat deze dag te dicht viel voor Maria ten Hemelopneming, de 15e, zodat er voor de SociŰteit teveel hoge feestdagen te dicht op elkaar zouden volgen? Of was het omdat de 13e augustus altijd in de grote vakantie valt, zodat je deze jeugdheilige niet op school kon vieren?
En waarom dan gekozen voor de 26e november? Ook daar vind ik nergens een verklaring voor.
Het is niet zijn geboortedag; dat was 13 maart.
Ook niet de dag van zijn intrede bij de jezu´eten: dat was 24 september.
Ook niet de dag dat hij naar Rme vertrok of er aankwam: resp. 24 oktober en 31 december.
Ook niet de dag van zijn zalig- of heiligverklaring: resp. 28 mei en 5 januari.
De enige reden die in aanmerking lijkt te komen is het feit dat de brief waarin besloten wordt tot zijn heiligverklaring gedagtekend staat op 27 november 1887. (Schoeters, allerlaatste hoofdstuk).
Waarom staat zijn feest dan niet op 27 november? Als ik het goed heb, stond in die tijd daar al de gedachtenis van de Zalige Leonardus Kimura, Japanse jezu´etenmartelaar, op de huidige kalender toegevoegd aan de martelaren op 4 februari.
Heeft men daarom de vooravond van de publicatie van de pauselijke brief tot heiligverklaring gekozen?
Het enige dat we voorlopig kunnen constateren: het hangt van veronderstellingen aan elkaar.

[124; 204; Dries van den Akker s.j./2007.11.26]


[Onderstaand artikel werd in het Spaans gepubliceerd in JosÚ A. MARTINEZ Puche O.P. (Director) ĹNuevo A˝o Cristiano. Noviembreĺ Madrid, Edibesa, 2002 ISBN 84-8407-210-X pp:448-452]

Jan (Johannes) Berchmans: 'Het Gewone met Liefde'

geboren1599.03.13
ingetreden1616.09.24
gestorven1621.08.13
zaligverklaard1865.05.09
heiligverklaard1888.01.15

Even over achten in de morgen van de 13e augustus van het jaar 1621 stierf op de ziekenafdeling van het Romeins College der jezu´eten frater Jan Berchmans, tweeŰntwintig jaar oud. Diezelfde dag nog werd hij opgebaard in de St-Ignatiuskerk naast het College. Onmiddellijk stroomden gelovigen en souvenirjagers toe. Er ontstond een enorm gedrang; er werd geroepen: "Mirakel. Mirakel!" Na afloop van de gebedsdienst bleek dat velen een stukje van zijn kleding of van het kleed op de baar hadden afgescheurd en meegenomen. Het lijk moest opnieuw worden aangekleed. Het bleek zelfs een teen te missen...

Hoe was het mogelijk dat een jonge Vlaamse jezu´et, die amper drie jaar in Rome verbleef voor zijn studies, reeds zo beroemd was geworden, en onmiddellijk na zijn dood als een heilige werd vereerd?

Ruim een maand tevoren, op 8 juli, had hij de aandacht op zich gevestigd doordat hij als de beste leerling van de opleiding het afsluitende dispuut had mogen houden. Dat was een soort openbaar examen, dat aan het eind van het schooljaar werd georganiseerd. Alle kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en andere notabelen van Rome werden uitgenodigd. Ieder die graag gezien wilde worden als weldoener van Gods Kerk, gaf acte de prÚsence. Zij waren de sponsors. Vaak hing de grootte van hun schenking af van dat Openbaar Examen. Verliep dat goed, dan verkondigden zij in hun kringen met trots, dat zij daaraan bijdroegen.

De beste student van het jaar werd door een college van docenten en gastdocenten van concurrerende opleidingen aan de tand gevoeld over alle onderwerpen van de studie. De student moest telkens het betoog van de hooggeleerde vragensteller uit het hoofd samenvatten, punt voor punt nalopen en aantonen wat er juist in was en wat niet. En dat alles volgens de regels van de Latijnse welsprekendheid van het Latijn. Frater Jan had daarbij met zijn zachte stem beminnelijkheid gekoppeld aan ferme standpunten, bescheidenheid aan ontwapenende humor. Iemand in het publiek had gefluisterd: "Als je niet beter wist zou je zweren dat daar niet een jongeman stond, maar een engel."

Een maand later, afgelopen 6 augustus, had Jan als gastspreker de opleiding mogen vertegenwoordigen op een soortgelijk dispuut aan het Grieks College. Omdat de dagvoorzitter op het laatste moment verhinderd bleek, was hij gevraagd als invaller. Ook daar had hij de aanwezigen voor zich ingenomen door zijn hartveroverend optreden.

Onmiddellijk na afloop van die zware dag in de hitte van de Romeinse zomer had hij zich met hoofdpijn bij de ziekenbroeder gemeld. In de dagen daarna verslechterde zijn toestand zienderogen. Hij was totaal uitgeput. Een week later stierf hij met een kruisbeeldje, zijn rozenkrans en het regelboekje in de hand.

Wat was zijn geheim? Zijn huisgenoten vertelden, dat Jan altijd vriendelijk was en opgewekt. Ze hadden hem tenslotte de bijnaam Frater Hilaris gegeven. Hij was een ijverige student. Als hij door verplichtingen overdag, te weinig aan zijn studie was toegekomen, zag je tot diep in de nacht licht branden op zijn kamer. Hij was voorkomend, deed alles wat hem gevraagd werd met een verbazingwekkende opgewektheid. Een van zijn medebroeders zei: "Hoe hij het klaarspeelt weet ik niet, maar als ik in een sombere bui ben, ga ik in zijn buurt zitten; dan is het zo over." Als de jezu´eten een goede indruk wilden maken op mensen van buiten, dan werd bij voorkeur Frater Hilaris gevraagd. Hij nam de mensen voor zich in; geen moeite was hem teveel. Dat was tenslotte ook zijn dood geworden.

Dat bleek eens te meer, toen zijn rector, Pater Cepari, Jans persoonlijke aantekeningen doorbladerde. Daarin stond te lezen hoe vroom Jan was; hoeveel waarde hij hechtte aan zijn gebedsleven. Hoe hij probeerde in alles God te dienen, met name in de gewone dingen van alledag. Precies zoals hij het in het noviciaat van zijn novicenmeester geleerd had: "Het belangrijkste in het leven is niet buitengewone dingen te doen, maar om de gewone dingen op buitengewone wijze te doen." Voor hem was elke dienst die hem gevraagd werd, een dienst aan Jezus zelf. Studie, tegenzin en zelfs lichamelijk ongemak telden niet. Pater Cepari ontdekte dat Jan al maanden voor zijn dood leed aan hoofdpijn en chronische moeheid. Daar hadden ze in huis nooit iets van gemerkt. Jan had zich daar consequent overheen gezet. De anderen en zijn studie waren belangrijker: zo diende hij God; en hij droeg zijn pijn op als zijn bijdrage aan Jezus' lijden.

Pater Cepari besloot een boek aan Jan te wijden, en stuurde twee Vlaamse studenten naar huis terug met een relikwie van Jan. Zij moesten in Vlaanderen navraag doen naar Jans jeugd: in zijn geboorteplaats Diest, en in Mechelen waar hij in de kost was geweest en het noviciaat had doorlopen. Zijn vader was meester maatschoenmaker, en zat in het stadsbestuur; zijn moeder was burgemeestersdochter. Jan was de oudste van vijf kinderen die binnen zes jaar geboren werden. Omdat moeder ziek werd, leerde hij vroeg zich thuis aan te passen, mee te helpen in het gezin, niet teveel lawaai te maken, allerlei karweitjes te doen, met de kleintjes buiten te spelen, zichzelf in een hoekje terug te trekken. In die tijd groeide al in hem het verlangen priester te worden. Op zijn tiende werden de kinderen toch uit huis geplaatst. Jan kwam bij een naburige pastoor die hem gezien zijn karakter en kwaliteiten voor een redelijke vergoeding graag in huis nam. Na twee jaar verhuisde hij naar Mechelen om er naar de 'Grootschool' te gaan. Hij woonde in bij een kanunnik en verdiende er de kost als huisknecht en door de zorg voor twee Hollandse jongetjes op zich te nemen. Al was hij pas dertien jaar, toch ging hem dat goed af, want hij had nooit anders gedaan. Als hij overdag teveel tijd kwijt was aan zijn verplichtingen, studeerde hij 's nachts.

Toen er drie jaar later een jezu´etencollege in de stad werd gesticht, wilde Jan daarheen. Heel zijn omgeving was ertegen. Maar Jan ging. Datzelfde deed zich voor, toen Jan besloot bij de jezu´eten in te treden. Zijn vader heeft hemel en aarde bewogen om hem het idee uit zijn hoofd te praten. Jan, die anders zo volgzaam was, bleek onvermurwbaar zonder zijn vriendelijkheid te verliezen. Toen hij enkele maanden in het noviciaat zat, kwam het bericht dat moeder stervende was: of hij naar huis kwam om afscheid te nemen. Jan ging niet; hij schreef een vrome brief. Het heeft zijn ouders pijn gedaan. Maar enkele maanden na moeders dood meldde vader zich aan voor de priesterstudie. Ruim een jaar later volgde zijn wijding.

Wat maakt Jan tot een heilige? We zouden kunnen denken aan zijn vermogen om pijn en lichamelijk ongemak ondergeschikt te maken aan zijn dagelijkse plichten en liefdediensten. Jezus deed immers net zoiets in Gethsemani: "Vader niet mijn wil, maar uw wil geschiede." Hoe heldhaftig deze houding ook is en hoezeer ingegeven door het enthousiasme van zijn jonge leeftijd, hier past toch een kritische noot. Vader Ignatius heeft er altijd de nadruk op gelegd dat gezondheid heel belangrijk is. Volgens de Constituties had Jan opener en duidelijker moeten zijn jegens zijn overste op dit punt. Ook Jans overste zelf en de huisgenoten hadden daar meer aandacht voor moeten hebben.

Misschien moeten we zijn heiligheid meer zoeken in zijn verlangen om van de meest gewone dingen een liefdedienst te maken. In de geest van Vader Ignatius: in alles God zoeken en vinden. In alles liefhebben en dienen. Biddend mens zijn. Blijkens de reacties van zijn omgeving werd hem die genade ook gegeven.

De kinderjaren van Jan zijn getekend door de ziekte van moeder. Vanaf zijn tiende heeft hij geen eigen thuis meer gekend. Noodgedwongen leerde hij gehoorzamen, behulpzaam zijn, stil zijn, met kleine kinderen optrekken, attent zijn op wat de ander nodig heeft, zichzelf wegcijferen; 's nachts studeren als het er overdag niet van gekomen was. God weet met hoeveel pijn deze deugden in hem gegroeid zijn. En het zijn precies deze eigenschappen, waar de mensen bij hem als jonge jezu´et zo van onder de indruk raakten. Zijn religieus leven bestond erin precies wat hij als kind geleerd had in dienst van God te stellen. Voor God leven, zo zouden we van Jan kunnen leren, betekent niet dat je iets moet doen wat je eigenlijk niet kunt. Maar dat je de dingen die je kunt, doet in dienst van het evangelie: het gewone met liefde.
Dries van den Akker s.j. (docent godsdienst); Nederland, Delft, Stanislashuis

Zie ook: 'Boekje over Jan Berchmans'

Jan Berchmans
Voor Rond Zending: 2008, april. Thema ĹRoepingĺ

11Jan Berchmans met studieboek (Thomas van Aquino); op de achtergrond zijn geboorteplaats Diest.
Tekst op de banderol: ĹDe Heer zond mij een stroom van vredeĺ.

De kleine Jan Berchmans is zes jaar. Zit in een hoekje van de huiskamer, heel stil. Moeder is ziek. Bij het geringste geluid rent hij naar haar toe, en doet wat ze vraagt. Vader is beneden in de schoenenzaak bezig. Of moet zich als schepen van de Vlaamse stad Diest bezighouden met politieke vraagstukken. Meestal moet Jan op zijn vier kleinere broertjes en zusjes letten. Wordt met ze de straat op gestuurd. Moet ze de hele dag bezighouden; spelletjes en tijdverdrijf verzinnen.

Het is toch te druk voor moeder. De kleintjes gaan het huis uit. Jan blijft achter in zijn hoekje, klaar om bij de eerste kik van moeder toe te snellen. Het liefst leest hij over Jezus of heiligen. Hij wil priester worden.

Jan is tien. Ook hij moet het huis uit. De pastoor neemt hem bij zich. Geeft hem les in ruil voor huishoudelijke karweitjes. Geen probleem. Heeft Jan steeds gedaan. Een kanunnik in Mechelen hoort ervan. Biedt hem een plaats op het priesterseminarie. Jan verdient de kost als huisknechtje. Bovendien moet hij twee Hollandse jongetjes bezighouden die gevlucht zijn voor de protestanten. Geen probleem; deed-ie thuis ook al. Komt hij overdag tijd te kort, dan studeert hij ĺs nachts.

Er komt een jezu´etencollege in Mechelen. Jan wil erheen. Raakt zo onder de indruk van de paters en hun verhalen dat hij ook jezu´et wil worden. Naar China: ongelovigen bekeren. Maar de novicemeester zegt: "Het belangrijkste in het leven is niet buitengewone dingen te doen, maar om de gewone dingen op buitengewone wijze te doen."

Dat wordt Jans geheim. Hij mag in Rome gaan studeren. Omdat hij zo voorkomend is, wordt hij gevraagd gasten door de stad te leiden. Omdat hij met kinderen kan omgaan, gaat hij een buitenlander - de kinderen in de achterbuurten van Rome over Jezus vertellen. Als hij overdag tijd te kort komt, studeert hij ĺs nachts. Omdat hij zo goed kan luisteren, mag hij jezu´etenstudent van amper twintig - belangrijke mensen in het openbaar te woord staan en vergaderingen voorzitten. Het vergt teveel van hem. Hij wordt ziek en sterft.

Je roeping volgen - zo zouden we van Jan kunnen leren - betekent niet dat je iets moet doen wat je eigenlijk niet kunt. Maar dat je de dingen die je kunt, doet in dienst van het evangelie: het gewone met liefde.

Bronnen
  Al eens onze andere site: www.beeldmeditaties.nl bezocht?

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 23 nov 2014

Een greep uit wat deze website verder te bieden heeft:
VoorwoordLeeswijzerHoe wordt men heilig?VerantwoordingBronnenWoordenboek  
KerstafbeeldingenDe 12 apostelenPausenCitatenTante CatoArchiefTegelsBladwijzersNieuw
Tenslotte: een overzicht van alle hoofd- en submenu's van deze website