Overzicht BM  m Gastenboek m Vertel verder m Contact
Andreas 

        De website met meer dan 5535 heiligen, 4226 voornamen en 8451 afbeeldingen        

WelkomHeiligenMissaalheiligenHeiligenkalenderHeiligen op naamPatronatenVoornamen SJ Meer

† 397  Martinus van Tours 


Info afbeeldingen
 Inhoud van deze pagina  Algemeen
Een portretje
Overweging door Martinus
Kleding

Martinus van Tours, Frankrijk; bisschop; † 397.

Feest 12 mei (terugbrenging relieken: 904[107;Bataille:513])
& 4 juli (bisschopswijding: 372 [106] ) & 12 oktober (Byzantijnse kerk [107; 139; 140] ) & 5 (oosterse kerk [141] )
& 8 (sterfdag) & 11 november (dag begrafenis; † 397) & 1 december (overbrenging hoofd: 1323 [Bataille:154] ) & 13 december (terugbrenging relieken: 885 [Bataille:154] ).

- Levensschets -
Sint Maarten, zoals Martinus in onze streken vertrouwelijk wordt genoemd, is in het Westerse Christendom één van de meest vereerde heiligen.
Zijn leven werd beschreven door Sulpicius Severus († 591; feest 29 januari).
In feite is die levensbeschrijving een opsomming van losse gebeurtenissen. Sulpicius wilde laten zien, hoe heilig Martinus was. Hij is dus bepaald niet objectief, integendeel: zijn hele boek heeft maar één boodschap: Martinus is een echte leerling van Jezus. Zozeer zelfs dat hij steeds meer de trekken van Jezus begint te vertonen. Net als de apostelen destijds. Evenals de apostelen is Martinus door Jezus zelf uitgekozen om het evangelie te verkondigen onder de heidenen (= de mensen die nog nooit van Hem hebben gehoord). Dat is de boodschap. Sulpicius zegt als het ware: "Met Martinus zijn de tijden van het evangelie in ons midden teruggekeerd." Telkens wanneer we hem aan het woord laten, moeten we dus niet een historisch betrouwbaar verslag verwachten, zoals wij dat tegenwoordig zouden doen.
Wat wij met onze wetenschappelijke maatstaven historisch zeker weten is bijzonder weinig.
Hij moet rond 316 geboren zijn en was afkomstig uit de landstreek die door de Romeinen Pannonië werd genoemd. Dat is ongeveer het huidige Hongarije. Zijn opleiding ontving hij in de Italiaanse stad Pavia. Omdat zijn vader militair was, viel hij onder de wettelijke bepaling dat hun kinderen eveneens een militaire loopbaan zouden volgen. Hij moet vijftien geweest zijn, toen hij bij het Romeinse leger werd ingelijfd. Drie jaar later laat hij zich dopen en weer een paar jaar later stapt hij uit het leger. Vanaf dat moment wordt zijn leven uitsluitend beheerst door de godsdienst.

In het leven van Sint Maximinus († 349; feest 29 mei) wordt een legende verteld waarbij een Martiunus een rol speelt.

Legende van de beer
Korte tijd daarna is hij [Maximinus] tezamen met zijn reisgezel Martinus in Rome, volgens de legende om de apostelgraven te bezoeken. Tijdens deze reis doet zich het wonder voor van de beer. Terwijl Martinus ergens een stad is binnengegaan om eten te kopen, is Maximinus bij de bagage achtergebleven en in slaap gesukkeld. Als hij wakker wordt, ziet hij hoe een beer de pakezel heeft opgevreten. Verontwaardigd gebiedt hij de beer het werk van de ezel over te nemen. Het beest gehoorzaamt gedwee. Dat veroorzaakt in Rome de nodige consternatie. Als ze na het bezoek de stad weer verlaten, hergeeft Maximinus het dier de vrijheid met de waarschuwing zich nooit meer aan iemand te vergrijpen: "Dan zal ook nooit iemand je iets in de weg leggen."
[Fre.1964p:155]

Het gebieden van een beer is bij vele heiligen uit de vroege middeleeuwen te vinden: o.a. Corbinianus van Freising († 730; feest 8 september), Gallus van St-Gallen († ca 640; feest 16 oktober), Ghislain van St-Ghislain († 683; feest 10 oktober), Humbertus van Maroilles († 680; feest 15 maart), Jacobus van Tarantaise († 429?; feest 16 januari), Romedius van Nonsberg († ca 700; feest 15 januari) en Vaast van Arras († 540; feest 6 februari).

Maximinus maakt van de gelegenheid gebruik om naar zijn geboorte grond Aquitanië terug te keren. Tijdens zijn verblijf in Silly wordt hij overvallen door een plotselinge dood. Over de sterfdatum zijn de historici het niet eens: Hinkel en Pierre Pasquier [in zijn aantekeningen bij Grégoire de Tours 'Vie des Pères' Paris, 1985 p:161] geven 346; de Acta Sanctorum en de bezorger van Gregorius' Geschiedenis van de Franken, Lewis Thorpe, zeggen 349[p:443].

Onderzoekers hebben zich afgevraagd of de Martinus uit deze legende dezelfde kan zijn als de latere bisschop van Tours. De Acta menen van niet en zoeken een andere tijdgenoot die in aanmerking komt.

Bv. Martinus van Vertou († 601; feest 24 oktober) [Brg.1987]. Maar diens jaartallen kloppen niet met die van bisschop Maximinianus van Trier.

Gobry veronderstelt dat het hier wel degelijk gaat om onze Martinus. Nemen we aan - aldus Gobry - dat Martinus in 341 als pasgedoopt christen het leger verlaat. Dan horen we pas weer van hem als hij in 355 of 356 bij Sint Hilarius van Poitiers verblijft. Wat doet hij in die tussentijd? Waar zou een officier die zojuist is afgezwaaid bij een legioen dat gelegerd was aan de Rijn, anders heengaan dan naar het nabijgelegen Trier, op dat moment immers de hoofdstad van het West-Romeinse Rijk. Die waarschijnlijkheid wordt alleen maar groter, wanneer men bedenkt, dat deze officier een overtuigd christen is geworden en zich bedenkt dat een jaar of vier tevoren de grote Sint Athansius († 373; feest 2 mei) daar onderdak had gevonden. Misschien wist Martinus zelfs wel dat zich daardoor groepjes kluizenaars hadden gevormd. Is het zo ver gezocht te veronderstellen - aldus nog steeds Gobry - dat onze nieuwe christen werd aangetrokken door dat ideaal en zich aanmeldde bij Maximinus? Wellicht stuurde deze hem naar Sint Kastor van Karden († 4e eeuw; feest 13 februari) en deed Martinus bij hem de liefde voor het kluizenaarsleven op.

Zal hij straks immers niet tezamen met Hilarius in de buurt van Poitiers Ligugé stichten, het eerste klooster van de westerse christenheid? Dit alles wordt nog waarschijnlijk, wanneer we ons afvragen hoe Martinus van Trier naar Poitiers is gekomen. Hij was het natuurlijk die Maximinus heeft vergezeld op zijn tocht naar Rome en vervolgens naar diens geboortegrond. Nadat zijn bisschop daar plotseling was overleden, is het heel goed denkbaar dat Martinus daar gebleven is en zich in dienst heeft gesteld van de plaatselijke bisschop. Dat was op dat moment immers nog Maximinus' broer Maxentius!
[Vgl. Gb2.1985p:87-88]

Hoe dan ook, Martinus kwam in Poitiers terecht waar de grote theoloog Hilarius († ca 368; feest 13 januari) bisschop was. Hilarius onderkende de mogelijkheden van zijn nieuwe leerling. Maar omdat hij bemerkte hoe bescheiden Martinus was, durfde hij hem niet voor te stellen zijn diaken te worden. De verhevenheid van die functie zou hem afschrikken. Hij maakte hem dus tot duiveluitdrijver (exorcist). Dat was een lage functie. Zou Martinus dat weigeren dan getuigde dat veeleer van onbescheidenheid! Na veel conflicten, waarbij Hilarius zelfs voor enkele jaren werd verbannen naar Klein-Azië (het huidige Turkije), stichtten zij samen rond 360 het eerste echte klooster van Frankrijk, Ligugé bij Poitiers.

- Martinus bisschop -
Tien jaar later werd Martinus in 370 of 371 tot bisschop van Tours gekozen. Omdat het overduidelijk de wens van het volk was, kon hij niet weigeren. De stem van het volk werd immers als de stem van God beschouwd! Omdat hij ook als bisschop het monniksideaal trouw bleef, stichtte hij nabij Tours een nieuw klooster, Marmoutiers (= Martinus' monasterium = Martinus' klooster).

- Martinus’ verwikkelingen met de keizer -
Rond 385 brengt Sint Martinus - bisschop sedert 371 en intussen beroemd in heel Gallië - vanuit Tours een bezoek aan keizer Maximus te Trier. Deze was onlangs Valentinianus' opvolger Gratianus (375-383) via een staatsgreep opgevolgd. Dat weten we door een anekdote die achthonderd jaar later ook door Jacobus de Voragine († 1298; feest 13 juli) in zijn 'Legenda Aurea' werd opgenomen. We geven hieronder echter de versie van Martinus' levensbeschrijver, Sulpicius Severus.

'Nu we een tijd beleven waarin alles bedorven en corrupt is, is het bijna uitzonderlijk dat een bisschop zichzelf bleef en niet toegaf aan hielenlikkerij bij de vorst. Uit verschillende hoeken van de wereld had zich een aantal bisschoppen verzameld aan het hof van keizer Maximus. Die had een woest karakter, en was hoogmoedig geworden door zijn overwinning in de burgeroorlogen. Alle bisschoppen onderscheidden zich door hun laaghartige vleierij aan het adres van de keizer. In hun ontaarding en gebrek aan standvastigheid waren zij vervallen van bisschoppelijke hoogwaardigheidsbekleders tot lievelingetjes van de keizer. In die omstandigheden bleef het gezag van de apostelen alleen maar verder leven in de figuur van Martinus. Want zelfs als hij voor bepaalde mensen de gunst van de keizer moest afsmeken, dan deed hij dat nog veeleer op een gebiedende dan op een vragende toon. En ondanks herhaalde uitnodigingen voor een maaltijd bij de keizer ging hij daar niet op in. Hij zei dat hij de tafel niet kon delen met iemand die de ene keizer de heerschappij had ontnomen en de andere beroofd had van zijn leven. Uiteindelijk gaf Maximus hem de verzekering dat hij niet uit eigen beweging de keizerlijke macht had overgenomen, maar dat de soldaten hem daartoe op goddelijk bevel hadden gedwongen, en die verworven macht had hij met wapens verdedigd. Voorts leek hem de wil van God niet vijandig te staan tegenover iemand die door zo'n ongelooflijke afloop de overwinning had behaald. En van zijn tegenstanders had er geen enkele de dood gevonden buiten het slagveld. Uiteindelijk gaf Martinus zich gewonnen door zijn argumenten of smeekbeden en hij kwam naar het gastmaal. De vorst was buitengewoon opgetogen dat hij dat deed

Als tafelgenoten waren daar voorname en hooggeplaatste personen aanwezig, die als het ware voor een feestdag waren opgeroepen: de prefect en consul Evodius - de rechtvaardigheid in persoon; twee keizerlijke ambtenaren die met de hoogste macht bekleed waren; de broer van de keizer; en zijn oom. De priester die Martinus begeleidde, was tussen deze hoogwaardigheidsbekleders gaan aanliggen, maar zelf was hij op een stoeltje gaan zitten dat naast de keizer was neergezet. Ongeveer halverwege de maaltijd bood een dienaar volgens gebruik de keizer een drinkschaal aan. Hij gebood hem de schaal liever aan de allerheiligste bisschop te geven.
Hij hoopte en verwachtte de beker uit Martinus' hand terug te ontvangen. Maar toen Martinus gedronken had, gaf hij de schaal aan zijn priester. Hij was er namelijk van overtuigd dat niemand het méér verdiende om als eerste na hem te drinken en dat hij niet eerlijk zou zijn tegenover zichzelf als hij een groter eer bewees aan de keizer of een van zijn voornaamste medewerkers dan aan een priester.
De keizer en alle aanwezigen hadden zo'n bewondering voor dat gebaar dat zij zelfs ingenomen waren met die houding waaruit ook minachting voor hen sprak. In heel het paleis werd het een druk besproken onderwerp: tijdens een keizerlijk gastmaal had Martinus gedaan wat nog geen enkele bisschop gewaagd had tijdens de maaltijden die de laagste ambtenaren hun aanboden.'
[Sulpicius Severus 'Het leven van Sint-Maarten' hfdst.20 vert. Patrick Lateur, Tielt, Lannoo, 1997; ISBN 90-2093225-x p:48-50]

Gregorius van Tours vat in zijn 'Geschiedenis van de Franken' (I,43) dit bezoek van zijn grote voorganger in één zin samen: 'Sint Martinus die bisschop was geworden, bezocht Maximus.'

Deze anekdote krijgt veel meer reliëf, wanneer wij de omstandigheden waaronder zij plaats vond, erbij betrekken. Want Martinus was eigener beweging naar Trier gekomen om de keizer van diens plannen af te brengen! Wat was er aan de hand?
De westerse christenheid van dat moment werd verscheurd door een nieuwe ketterij: het Priscillianisme (zie uitleg).

- Staatsgreep en Caesarwisseling -
Precies in die tijd bereikte de stad het bericht dat de troepen in Engeland in opstand waren gekomen en een van hun generaals, Magnus Maximus, tot keizer hadden uitgeroepen en nu optrokken tegen Gratianus. Deze werd op lafhartige wijze door een ritmeester van de keizerlijke cavalerie om het leven gebracht. Maximus werd uitgeroepen tot keizer.
In datzelfde jaar, 383, hield de nieuwe keizer zijn triomfantelijke intocht in Trier. Ithacius smeedde het ijzer nu het heet was. Met behulp van de hofkliek diende hij een aanklacht in tegen Priscillianus met het verzoek eens en voorgoed een eind te maken aan deze splijtzwam, die niet alleen een gevaar was voor de eenheid van de kerk, maar ook van het Rijk. Maximus beval tot een bisschoppensynode te Bordeaux. De synode werd gehouden in het jaar daarop, en leek geneigd Priscillianus te veroordelen. Maar die deed een beroep op de keizer persoonlijk; diens voorganger was hem immers gunstig gezind geweest.
Zo verscheen hij met zes getrouwe volgelingen voor het keizerlijk gerechtshof te Trier om zich in de beklaagdenbank te weer te stellen tegen een serie vage beschuldigingen. Maar zijn zaak stond zwak.

- Martinus in Trier -
Op dat moment kwam bisschop Martinus van Tours in actie. Men zegt dat hij ook aanwezig was op de synode te Bordeaux, maar zijn handtekening is onder geen enkel stuk te vinden. Dat kan natuurlijk ook te wijten zijn aan het feit dat hij hoewel tegenstander van Priscillianus’ idealen in het geheel niet instemde met de gang van zaken. Zijn komst was groot nieuws in de stad. Hij begaf zich linea recta naar Ithacius en smeekte hem “zijn beschuldiging in te trekken, of minstens Maximus te verzoeken niet het bloed te vergieten van de ongelukkigen in kwestie.” Temeer omdat hij het een schandelijke zaak vond de keizer het laatste woord te geven in een kerkelijk conflict. Ithacius moet toen smalend gereageerd hebben dat Martinus wel uit mocht kijken met zijn overdreven ascetische levenswijze; anders zou het voor hem wel eens op dezelfde manier kunnen aflopen als met de zeven in de beklaagdenbank.
De nieuwe keizer was nieuwsgierig de beroemde bisschop van Tours te leren kennen. Zowel hier als in Engeland lag zijn naam immers op ieders lippen. Hij nodigde hem dus bij zich aan tafel. Aanvankelijk weigerde Martinus; daar paste hij niet. Maar tenslotte stemde hij toe: je wist maar nooit waar het goed voor was. Hij had de gunst van de keizer hard nodig. Tijdens die maaltijd vond het beroemde incident met de beker plaats. Je moet maar durven...

- Verdere verwikkelingen rond Priscillianus -
Martinus wist bij de keizer te bewerkstelligen dat het proces tegen Priscillianus en zijn gezellen werd geseponeerd. In de mening dat zijn taak er nu op zat, vertrok hij naar Tours. Maar de partij van Ithacius bleef drammen en deed de keizer van gedachten veranderen. Hij gaf zijn rechter Evodius opdracht onmiddellijk het proces tegen Priscillianus en zijn zes aanwezige medestanders in gang te zetten. Deze bevond de beklaagden schuldig op alle punten. Geen van de aanklachten leek een doodvonnis te rechtvaardigen, maar dat werd het wel. In januari 385 werd Priscillianus onthoofd, en met hem zijn zes medestanders. Toen dit bericht Martinus op zijn thuisreis achterhaalde, keerde hij onmiddellijk naar Trier terug...
Maar laten we Sulpicius Severus weer aan het woord laten. Zijn weergave van de gebeurtenissen vinden we in zijn Dialogen. Hij legt zijn woorden ene Gallus in de mond.

11 'Hoewel Caesar Maximus in andere opzichten een goed man was, hield hij - misleid door de raad van de bisschoppen - na de moord op Priscillianus diens aanklager Ithacius en zijn niet noemenswaardige trawanten met keizerlijk gezag de hand boven het hoofd. Niemand mocht hem ervan beschuldigen dat door zijn gedram de man, rechtgelovig of niet, ter dood was gebracht. Martinus zag zich genoodzaakt wegens meerdere kwesties van mensen in moeilijkheden, zich tot de regering te wenden. Zo kwam hij in het hart van deze storm terecht. In Trier waren de bisschoppen in vergadering bijeen; zij allen maakten zich medeplichtig door hun dagelijkse omgang met Ithacius. Toen hun het bericht bereikte dat Martinus eraan kwam, waren ze behoorlijk van hun streek en werden bang. Nu had de caesar op grond van hun adviezen daags tevoren besloten officieren met de hoogste volmachten naar Spanje te sturen om ketters op te sporen, te arresteren, ter dood te veroordelen en hun goederen verbeurd te verklaren.' Ongetwijfeld zou die storm ook een groot aantal heiligen in gevaar brengen.

Sulpicius Severus gebruikt voor 'gelovigen' nog steeds de Paulinische aanduiding 'heiligen'.

Er werd immers maar weinig onderscheid gemaakt tussen de mensen. In die tijd oordeelde men alleen met de ogen, zodat men eerder op grond van bleekheid of kledij dan vanwege het geloof voor ketter werd uitgemaakt. Dat Martinus daar vierkant op tegen was, begrepen die bisschoppen maar al te goed. Geplaagd door een slecht geweten hadden zij nu maar één zorg: elke ontmoeting met Martinus te vermijden. Het gevaar was immers groot dat er onder hen waren die zouden vallen voor Martinus' gezag en standvastigheid en naar hem overlopen. Zij wisten de keizer zover te krijgen hem gezanten tegemoet te zenden met de boodschap dat hij alleen maar naar de stad mocht komen, als hij beloofde in vrede met de daar aanwezige bisschoppen te zullen verkeren. Heel slim verklaarde Martinus dat hij in de vrede van Christus zou komen. Het was nacht toen hij de stad bereikte; hij ging regelrecht naar de kerk om er te bidden.
De volgende dag begaf hij zich naar het paleis. Naast vele andere verzoeken (zoals gratie voor sympathisanten van Maximus' voorganger Gratianus) was wel het voornaamste dat de caesar geen officieren naar Spanje zou sturen met de bevoegdheid doodvonnissen te vellen. Martinus had immers niet alleen zorg voor het vermoedelijke lijden van de christengelovigen, maar ook voor de bevrijding van de ketters.
De keizer pakte het slim aan. Hij hield Martinus twee dagen aan het lijntje; misschien omdat hij hem wilde laten voelen hoe zwaar hij aan die zaak tilde, of misschien omdat hij te veel onder de invloed stond van de bisschoppen en niet van gevoelen wilde veranderen of wellicht ook omdat hij werd weerhouden door zijn algemeen bekende inhaligheid. Hij was immers uit op de verbeurd te verklaren goederen. Hoewel hij veel goede dingen heeft gedaan weet iedereen dat inhaligheid zijn zwakke punt was. Maar we moeten ook niet de omstandigheden vergeten waarin de staatskas toen verkeerde. Deze was door de vorige vorsten volkomen leeggeplunderd en hij moest voortdurend voorbereid zijn op burgeroorlog of opstand.

Het is opvallend hoe Sulpicius Severus bij monde van Gallus zijn best doet keizer Maximus in een gunstig daglicht te plaatsen.

12 Martinus had de gemeenschap met de aanwezige bisschoppen geweigerd! Beangst zochten zij nu hun heil bij de caesar; zij klaagden dat hun veroordeling bij voorbaat al vast had gestaan en dat hun gezag geen knip voor de neus meer waard zou zijn, als Martinus' houding de positie van Theognitus zou versterken; dat was immers de enige die zich steeds tegen hun aanpak had verzet.

Van deze Theognitus is voor zover ik weet verder niets bekend.

Men had Martinus niet in de stad moeten toelaten. Welbeschouwd was hij al niet eens meer een verdediger, maar een wreker van ketters. In dat geval had de dood van Priscillianus geen enkel effect gehad. Tenslotte wierpen zij zich voor de keizer te voet en smeekten onder tranen en gejammer dat hij tegen deze man zijn keizerlijke macht zou gebruiken. Het ontbrak er nog maar aan dat zij de keizer dwongen Martinus het lot van de ketters te laten ondergaan! Weliswaar was de caesar al te gemakkelijk geneigd zijn oren naar hen te laten hangen, maar tegelijk was het hem ook duidelijk dat Martinus meer geloof, heiligheid en gezag bezat dan enige andere sterveling.

Waarschijnlijk hoort hier de anekdote thuis die Sulpicius al eerder in zijn Dialogen door Gallus laat vertellen. We voegen haar hier in.

- De vrouw van caesar Maximus -
6 '[-] Ik meen vooral de bewondering van de vrome vorstin voor Martinus niet te mogen overslaan. Maximus bestuurde als caesar de staat. Hij zou terecht zijn leven lang geprezen zijn, als hij zo vrij was geweest de kroon die hem onwettig door een oproerig leger was opgezet, te weigeren, of zich minstens buiten de burgeroorlog had gehouden. Maar net zomin als hij het hoogste gezag zonder risico kon weigeren, kon hij het ook niet zonder wapengeweld behouden. Hij was een devoot bewonderaar van Martinus. Daarom nodigde hij hem meer dan eens bij zich uit in het paleis. Dan sprak hij uitvoerig met hem over deze en de toekomstige wereld, over het geluk van de gelovigen, en de eeuwige gelukzaligheid van de heiligen. Intussen hing de koningin dan dag en nacht aan Martinus' lippen. Net als haar voorbeeld uit het evangelie besproeide zij de voeten van de heilige met haar tranen en droogde ze met haar haren af.

Zoals ook Gallus opmerkt, heeft de vorstin deze kunst afgekeken van een vrouw uit het evangelie over wie hetzelfde wordt verteld (vgl. Lukas 07,36-50); Johannes weet iets soortgelijks te vertellen. Toen Jezus in Bethanië op bezoek was bij Martha, zalfde haar zuster Maria Jezus' voeten met nardusbalsem en droogde ze met haar haren af (Johannes 12,01-03).

Nu was Martinus nog nooit door een vrouw aangeraakt. Maar hij kon toch niet ontkomen aan haar opdringerigheid, of liever haar onderworpenheid. Zij sloeg even geen acht op de status van het koningschap, de waardigheid van het hoogste gezag, op kroon of purper. Vooroverliggend op de grond was zij niet van Martinus' voeten weg te branden.
Tot slot stelde zij haar man voor Martinus uit te nodigen voor een maaltijd met z'n drieën, zonder dat iemand van het dienstpersoneel erbij zou zijn. Zijzelf zou het eten klaarmaken. Voor de zalige was er geen weigeren aan!

Hoewel Gallus resp. Sulpicius Severus suggereert dat Martinus het liefst deze uitnodiging had willen weigeren, duidt zij er ook op dat hij alleen stond, en lijkt zij Martinus' geïsoleerde positie temidden van de bisschoppen te bevestigen.

De vorstin deed alles zelf met gepast respect. Zij zette de bank klaar, schoof de tafel aan, bracht het water voor de handen, en droeg de spijzen aan die zij zelf had gekookt. Terwijl hij at, bleef zij stilletjes op een afstand staan naar de wijze van goed getraind personeel en was in alle opzichten een toonbeeld van de bescheidenheid en de nederigheid van een goed personeelslid. Zelf mengde zij de wijn als hij wilde drinken en reikte hem eigenhandig de beker aan. Na afloop van de maaltijd verzamelde zij de restanten en de kruimels van het door hem gegeten brood. In haar pure geloof achtte zij dat alles hoger dan de beste keizerlijke maaltijd. O zalige vrouw, die om haar vrome aanhankelijkheid waarlijk vergeleken mag worden met haar die van de einden der aarde kwam om Salomo te horen.

Bedoeld is de koningin van Sheba, over wie verteld wordt in 1 Koningen 10.

7 Een van de aanwezigen bij Gallus’ verhaal spreekt er zijn verbazing over uit dat een vrouw, zelfs al was het de vorstin, Martinus zo na kwam. Zullen daar geen praatjes van komen? Zullen Martinus' vijanden daar geen misbruik van kunnen maken? De verteller, Gallus, antwoordt: 'Ja, maar je moet - als goed redenaar - wel op plaats, tijd en persoon letten. Stel je de situatie maar voor. Martinus is te gast in het paleis, daar is hij uitdrukkelijk dankzij het verzoek van de keizer en het geloof van de vorstin: in die omstandigheden kan hij niet anders. Hij is daar immers om gevangenen uit de gevangenis los te krijgen, bannelingen te doen terugkeren en in beslag genomen bezittingen te doen teruggeven.

Uit deze opsomming mogen we opmaken dat Martinus bij de keizer is om te pleiten voor de vrijlating van Priscillianus’ medestanders, ze naar hun vaderland Spanje te doen terugkeren; en ze weer in bezit te doen stellen van hun verbeurd verklaarde goederen.

Dat alles zal zo zwaar gewogen hebben dat hij daartegenover zijn principiële levenswandel wel wat kon relativeren, denk je ook niet? Maar als er lieden zouden zijn die misbruik zouden willen maken van het voorbeeld dat hij hier geeft, laten zij dan de discretie van het gehele voorbeeld navolgen. Dan zullen zij immers zien dat Martinus slechts een keer in zijn leven - en dat pas op 70-jarige leeftijd - zich heeft laten bedienen niet door een vrije weduwe of een wulps meisje, maar door een vorstin die onder het gezag van haar man stond, ja zelfs op diens eigen verzoek. Let wel, zij bediende bij de maaltijd, zij lag niet mee aan'.
[Sulpicius Severus Dialogen II,6-7]

Terug naar de verwikkelingen met de Trierse bisschoppenkliek
De caesar probeerde dus op een andere manier de heilige voor zijn karretje te spannen. Hij liet hem in het geheim bij zich komen en maakte hem in alle vriendelijkheid duidelijk dat de ketters niet door het gedram van de bisschoppen, maar terecht op staatsrechtelijke gronden veroordeeld waren. Er was dan ook geen enkele reden om de gemeenschap met Ithacius en zijn collega's te weigeren. En die Theognitus? Die had eerder uit haat de gemeenschap met de anderen verbroken. Hij was trouwens de enige geweest; de anderen hadden zich niet verzet. Een paar dagen geleden waren de bisschoppen nog bijeen geweest in een synode en daar was officieel vastgesteld dat Ithacius geen enkele blaam trof.

Maar Martinus bleek in het geheel niet onder de indruk. Dat maakte de caesar zo woedend dat hij abrupt een einde maakte aan de audiëntie en onmiddellijk beulen liet zenden naar de gevangenen voor wie Martinus een pleidooi had gehouden.

13 Dat hoorde Martinus diezelfde avond. Ondanks het late uur verschafte hij zich toegang tot het paleis en beloofde de gemeenschap met de andere bisschoppen te aanvaarden op voorwaarde dat het leven van de gevangenen gespaard zou worden; bovendien moesten de officieren die al met hun rampzalige boodschap voor de kerk in Spanje onderweg waren, teruggeroepen worden. Maximus ging meteen akkoord.
De dag daarop ging men over tot de wijding van bisschop Felix († eind 4e eeuw; feest 26 maart), een zeer heilig man, die het had verdiend in een betere tijd bisschop te worden.

Blijkbaar was de zittende bisschop, Britto (zie verderop), intussen overleden?

Martinus zag zich genoodzaakt de gemeenschap voor één dag te accepteren. Het leek hem beter even toe te geven omwille van het leven van degenen die met de dood door het zwaard werden bedreigd. De bisschoppen probeerden hem nu een document te laten tekenen waardoor hun gemeenschap bezegeld zou worden, maar zover kregen zij hem niet. Daags daarna is hij in allerijl vertrokken. Hij zat erover in dat hij vuile handen had gemaakt door die schuldige gemeenschap. Niet ver van een dorp, dat Andethanna heette en midden in eenzame wouden lag, ging hij even zitten terwijl zijn reisgenoten hem een eindje vooruit waren. Daar overdacht hij steeds maar weer of hij goed gedaan had aan die daad die hem zo treurig stemde; hij werd heen en weer geslingerd tussen verfoeien en vergoelijken. Plotseling kwam een engel bij hem staan en zei: "Terecht, Martinus, heb je berouw. Maar je had die zaak op geen enkele andere manier kunnen oplossen. Kom op krachten en herpak je standvastigheid, niet alleen om je goede naam, maar ook je zielenheil niet in gevaar te brengen." Van toen af zorgde hij ervoor niet in gemeenschap te treden met Ithacius en zijn partij. Maar toen hij een paar bezetenen slechts met groter moeite en minder genade dan gewoonlijk kon genezen, bekende hij ons onder tranen dat hij zich in zijn kracht voelde aangetast door de smet van die gemeenschap, waarmee hij - al was het ook nog zo kort, noodgedwongen en onvrijwillig - in aanraking was geweest. In de zestien jaar die hij daarna nog te leven had, bezocht hij geen enkele bisschoppenvergadering meer.'
[Sulpicius Severus 'Dialogen' II,11-13; Christopher Donaldson 'Martinus van Tours. Een biografie' Hilversum, Gooi & Sticht 1987 ISBN 90-304-0375-6p:117-122; LThk/8kol:768-771; Dries van den Akker s.j./2005.02.16]

Eens te meer dus hield Martinus zich verre van kerkpolitieke kwesties, maar met des te grotere ijver wijdde hij zich aan de verbreiding van Christus' liefde. Hij preekte en trok rond door zijn bisdom, en had bijzondere aandacht voor de heidenen, de boeren die nog niet met Christus in aanraking waren gekomen. Hem komt dan ook de eer toe de stadskerk naar het platteland gebracht te hebben. Hij stierf op hoge leeftijd te Candes tijdens een visitatiereis: 8 november 397. De dag van zijn begrafenis, 11 november, is zijn feestdag geworden.

Legenden
De oudste levensbeschrijving van Sint Martinus (of Sint Maarten) danken we aan zijn leerling en bewonderaar Sulpicius Severus († ca 420; feest 29 januari). Latere anekdotes verzamelde hij in enkele brieven en dialogen. In dat laatste werk voert hij een collega-leerling op, Gallus, die nadere bijzonderheden over Martinus vertelt aan een groepje toegestroomde leerlingen die niet genoeg kunnen horen over hun grote leermeester. Hij vertelt de ene anekdote na de andere, juist zoals de evangelisten dat ook doen bij Jezus. De verhalen hebben maar één doel: het zijn stuk voor stuk bewijzen van het feit hoe heilig Martinus was en hoezeer hij op Jezus geleek.

- Legende 1: Hoe Martinus zijn mantel deelde met een bedelaar -
Het was midden in een winter, die veel strenger was dan gewoonlijk. Vele mensen stierven van de kou. Op een dag moest Martinus in Amiens zijn. Martinus was soldaat in het Romeinse leger. Sinds kort had hij over Christus gehoord; en hij was van plan diens voorbeeld na te volgen.
Onderweg kwam hij veel mensen tegen die leden onder de strenge kou. Alle kleren die hij kon missen, gaf hij weg. Zo bereikte hij de stadspoort van Amiens. Hij had alleen nog maar zijn soldatenmantel en zijn wapens. In de poort zat een bedelaar, die helemaal geen kleren aanhad.
Martinus zag hoe hij de voorbijgangers smeekte om hem te helpen en medelijden met hem te hebben. Maar ze liepen hem allemaal voorbij. Martinus begreep dat hij iets moest doen. Maar wat? Hij had immers alles al weggegeven. Toen trok hij zijn zwaard en sneed zijn mantel middendoor. Hij gaf de bedelaar de ene helft. De rest sloeg hij zelf weer om zijn schouders. Er waren omstanders die Martinus uitlachten, omdat hij er in die halve mantel belachelijk uitzag. Maar anderen schaamden zich, omdat zij veel meer hadden dan die soldaat, en toch de bedelaar niet geholpen hadden.
's Nachts toen de mensen sliepen, had Martinus een droom. Hij zag Christus vóór zich staan, nogal raar gekleed (zie afb. links). Christus zei tegen Martinus: 'Bekijk me eens goed.' Toen zag Martinus, dat Christus het stuk mantel droeg dat hij aan de bedelaar had gegeven. En hij hoorde Hem tegen de engelen zeggen: Martinus heeft nog maar pas van mij gehoord; maar toen ik naakt was, heeft hij Mij meteen gekleed.'
Zo blijkt het waar te zijn wat Christus over zichzelf vertelt: 'Wat je aan de minste van de mensen doet, dat doe je aan Mij!'
[Naar: Jacobus de Voragine 'Legenda Aurea...'. Vgl. Sulpicius Severus 3]

Dit tafereel is bijzonder populair geweest in de iconografie (= afbeeldingen) van Martinus; kunstenaars van alle tijden hebben zich hierdoor laten inspireren.

- Legende 2: Hoe Martinus het leger verliet -

Martinus diende nog in het leger, hoewel hij al christen was. Hij wachtte op een geschikt moment om de dienst te verlaten.
Op een dag vielen de Barbaren Gallië binnen. Keizer Julianus verzamelde zijn leger bij de stad Worms en liet voor elke soldaat extra soldij uitkeren. Eén voor één riep hij ze op. Zo kwam ook Martinus aan de beurt. Dit was voor hem het ogenblik om ontslag te vragen. Hij vond het namelijk oneerlijk de extra soldij aan te nemen, terwijl hij van plan was af te zwaaien.
Hij zei tegen de keizer:
'Tot nu toe heb ik ú gediend, laat mij nu in Gods dienst treden. Ik verdien uw soldij niet. Ik ben een soldaat van Christus. Ik mag dus niet meer vechten.'

Woedend reageerde de keizer:
'Je bent zeker bang voor de strijd van morgen? Ik ken die mooie godsdienstige praatjes!'

Toen zei Martinus onverschrokken:
'U denkt dus dat ik laf ben, en niet eerlijk in mijn godsdienstige overtuiging? Goed, ik zal mij morgen ongewapend voor het front opstellen. U zult zien, dat ik ongedeerd door de vijandelijke linie zal heenbreken, enkel en alleen onder de bescherming van het kruisteken en de naam van de Heer.'

De keizer liet hem opsluiten om te zorgen, dat hij de volgende morgen zijn woord gestand zou doen.
Maar die volgende dag zond de vijand gezanten om vrede aan te bieden. En ze gaven zich over met hun hele hebben en houden.
Als dit geen overwinning was van de heilige...! Hij hoefde niet eens ongewapend de strijd in. Natuurlijk zou zijn trouwe Heer hem in het strijdgewoel van zwaarden en speren hebben beschermd. Maar de Heer heeft het hele gevecht voorkomen. Zo werd de heilige zelfs gespaard voor de onchristelijke aanblik van stervende soldaten.
[Naar: Jacobus de Voragine 'Legenda Aurea...'. Vgl. Sulpicius Severus 4]

- Legende 3: Hoe Martinus zijn godsdienstige loopbaan begon -
Na het verlaten van de krijgsdienst ging hij naar Hilarius, bisschop van Poitiers. Zijn geloof werd in die tijd overal erkend en gewaardeerd. Deze Hilarius stelde hem op de proef door hem tot zijn diaken te willen aanstellen. Door zijn heilig ambt zou Martinus nauwer met hem verbonden zijn. Maar hij verzette zich er met hand en tand tegen. Uiteindelijk zag Hilarius in dat hij hem alleen aan zich kon verplichten door hem juist een belachelijk lage functie te geven. Daarom stelde hij hem aan tot duiveluitdrijver. Dat durfde Martinus niet te weigeren. Anders zou hij wellicht de indruk wekken dat hij weigerde omdat het hem niet hoog genoeg was!
Kort daarop werd hij in de slaap aangespoord naar zijn ouders terug te gaan om hen en hun omgeving de christelijke boodschap te brengen. Hilarius zag hem liever niet gaan, maar kon hem niet tegenhouden. Hij liet zijn exorcist beloven terug te komen.
Mensen uit Martinus' omgeving beweren dat hij bedroefd op weg is gegaan. Hij verwachtte allerhande tegenslagen op zijn tocht. Die er ook kwamen. Om te beginnen verdwaalde hij in de Alpen en viel in handen van rovers. Eén van hen had zelfs zijn bijl al opgeheven om hem de hersens in te slaan. Met de grootste moeite wist een medebandiet hem ervan af te houden. Ze bonden hem de handen op de rug en zetten hem op een afgezonderde plek gevangen. Ze gaven hem een bewaker mee. Die begon hem uit te vragen: wie hij was en zo. Hij antwoordde dat hij christen was. Hij vroeg hem ook of hij niet bang was. Maar Martinus zei dat hij zich nog nooit zo op zijn gemak had gevoeld: hij was er namelijk van overtuigd dat God in zijn medelijden hem zou behoeden voor alle gevaar. Hij voegde eraan toe dat hij eigenlijk veel meer inzat over hem, zijn bewaker; met zo'n leven was hij Christus' barmhartigheid onwaardig. Zo ontspon zich een gesprek over het evangelie, en uiteindelijk preekte hij het Woord Gods aan die rover. Om een lang verhaal kort te maken: de rover begon te geloven en bracht Martinus tenslotte eigenhandig naar de weg terug en bij het afscheid vroeg hij Martinus of deze voor hem bij de Heer wilde pleiten in zijn gebed. Het schijnt dat hij later een vroom leven is gaan leiden. Men meent zelfs dat dit hele verhaal van hem zelf afkomstig is.

Eenmaal thuis bij zijn ouders wist hij zijn moeder tot Christus te brengen, maar zijn vader niet. Hij had trouwens helemaal weinig succes. Want in die streek waren al christenen: Arianen. Zij geloofden wel dat Jezus een bijzonder mens was geweest, maar niet dat je van Hem kon zeggen dat Hij Gods Zoon was. Martinus deed er alles aan om de mensen van deze dwaalleer af te krijgen. Maar hij riep hiermee eerder verzet op dan bekering. Ze hebben hem zelfs in het openbaar een afstraffing geven door hem met roeden te geselen. Tenslotte werd hij door de Ariaanse bisschoppen verjaagd. Waarheen nu? Terug naar Hilarius bleek onmogelijk. Hij had namelijk gehoord dat ook daar de Arianen vaste voet hadden gekregen, zodat ze Hilarius hadden verjaagd. Hij stichtte een kloostergemeenschapje in Milaan. Maar andermaal werd hij het slachtoffer van de Arianen. Overdekt met smaad joeg men hem de stad uit. Samen met een vriend trok hij zich nu terug in de eenzaamheid op het eilandje Gallinaria vlak tegenover de Franse zuidkust. Na enige tijd hoorde hij dat Hilarius toestemming had gekregen naar huis terug te keren en zijn bisschopsfunctie weer mocht vervullen. Martinus besloot naar hem toe te gaan.
[Zie Sulpicius Severus 5-6]

- Legende 4: Hoe Martinus doden ten leven wekte -
Samen stichtten zij niet ver van Poitiers een klooster. Op een dag meldde zich een geloofsleerling bij hem aan. Hij wilde door de heilige in het ware geloof onderwezen worden. Juist op een moment dat Martinus op reis was, werd deze jongeman ziek. De koorts was zo hevig dat hij eraan overleed. Zo vond Martinus hem bij zijn terugkomst drie dagen later. Het ergste was dat hij door zijn onverhoedse dood niet eens tevoren was gedoopt. De broeders waren juist bezig het lijk af te leggen, toen Martinus eraan kwam, roepend en klagend. Op dat moment werd hij vervuld van de Heilige Geest. Hij verzocht de anderen de cel te verlaten en bleef alleen met het ontzielde lichaam achter. Hij strekte zich in zijn volle lengte over de dode broeder uit en bad met grote vurigheid en aandrang. Na een poosje richtte hij zich half op en keek de dode strak in het gelaat; zo wachtte hij vasthoudend op de uitwerking van zijn gebed en van de barmhartigheid van onze Heer. Er waren nog geen twee uur verlopen of er kwam beweging in het lichaam van de jongen, zijn oogleden trilden en uiteindelijk sloeg hij de ogen op. Luidkeels bracht Martinus dank aan de Heer voor dit wonder. Zo luidkeels dat de broeders die al die tijd buiten hadden staan wachten naar binnen snelden om te zien wat er gebeurd was. Zij stonde verbijsterd: degenen die zij daarnet nog voor dood hadden achtergelaten stond levend en wel in hun midden. Hij werd onmiddellijk gedoopt en heeft nog jaren geleefd.

Niet lang daarna kwam hij op één van zijn tochten langs het landgoed van een zekere Lupicinus, een aanzienlijk man. Hij werd getroffen door luid misbaar van klagende en rouwende mensen. Bezorgd bleef hij staan en vroeg wat er aan de hand was. Hij kreeg te horen dat een knechtje van de huishouding zich verhangen had. Onmiddellijk trad de heilige handelend op. Hij liet zich naar het vertrek brengen waar ze de jongen hadden neergelegd. Alle anderen stuurde hij naar buiten. Weer strekt hij zich in volle lengte uit over het lijk en bad geruime tijd met grote aandrang. Uiteindelijk sloeg de jongen zijn ogen op. Het duurde nog een hele tijd voor hij weer op krachten was gekomen. Tenslotte greep hij de hand van de heilige, probeerde te gaan staan en liet zich door Martinus naar de mensen terugbrengen.
[Zie Sulpicius Severus 7-8]

- Legende 5: Hoe Martinus bisschop werd -
Martinus woonde in de stad Tours in Frankrijk. Toen de bisschop daar was gestorven, wilde de hele stad Martinus als zijn opvolger hebben. Maar een paar bisschoppen uit de buurt waren ertegen. Zij vonden namelijk dat Martinus zich onverzorgd kleedde en dat hij er niet netjes genoeg uitzag. Toch werd Martinus bisschop. Tegen de zin van zijn vijanden. En... tegen zijn eigen zin. Dat kwam zó.
Hij kon al het geharrewar om zich heen niet langer verdragen en stichtte een klooster twee kilometer buiten de stad. Daar leidde hij een streng leven. Tezamen met zijn 24 leerlingen. Ze dronken geen wijn, behalve als ze ziek waren. Ze wilden het niet goed hebben in dat klooster. Dat vonden ze zonde.
In de stad bleef men volhouden dat Martinus bisschop moest worden. Maar hoe hem nou zijn klooster uit te krijgen? Iemand uit de stad, een zekere Rusticus (wat gewoon De Boer betekent), vond er iets op. Hij verzon een verhaal, viel voor Martinus op de knieën en zei: “Martinus, mijn vrouw is ziek. Kom astublieft naar mijn huis om haar met uw wondermacht te genezen.”
Ondertussen waren de inwoners van Tours al langs de route gaan staan om te zien of hij inderdaad naar de stad kwam. Het was de dag van de officiële bisschopsverkiezing in de kerk. Er waren daarom niet alleen mensen uit de stad zelf toegestroomd, maar ook uit de wijde omgeving. Ze wilden allemaal hetzelfde: Martinus bisschop!
Dan pas zouden ze tevreden zijn.
Maar de bisschoppen uit de buurt wilden nu eenmaal niets van hem weten: “Moet je zien hoe hij d’r uit ziet: zijn kleren zijn smerig, zijn haren zitten altijd in de war en hij stinkt.” Niet dat ze het hardop zeiden. Hun woorden over Martinus waren mooi, maar hun gedachten niet. Uiteindelijk moesten ze toch toegeven, omdat de mensen zo bleven aandringen. Dat wil zeggen: er was één bisschop die niet wou toegeven en hard van gemoed was. Hij heette dan ook Hartmoet, bisschop Hartmoet. Hoe het volk toch van hem won en zelfs meende dat de Bijbel volkomen aan hun kant stond, vertelt nog het volgende verhaal.
Uitgerekend op die dag de dag van de bisschopskeuze was de voorlezer te laat in de kerk.
Hij was vastgeraakt in het gedrang van de mensen. Ten einde raad riep men een jongetje met een heldere stem.
Men duwde hem het psalmenboek in de handen met de woorden:
“Lees maar iets voor. Het geeft niet wat.”
Zenuwachtig sloeg de jongen het boek zomaar ergens open en begon lukraak te lezen. Het was psalm 8 en hij las luid en duidelijk:
“Uit de mond van kinderen en zuigelingen
“hebt Gij, God, uw lof laten klinken,
“ook voor de ogen van uw vijanden,
“zelfs als het hard tegen hard moet...”
Op datzelfde moment ging er in de kerk een donderend gejuich op:
“... tegen Hartmoet! Tegen Hartmoet!”
Zie je wel: zelfs God was tegen Hartmoet.
Uit de mond van kinderen zou je het horen.
Nou, stond daar niet een klein jongetje voor te lezen?
Dus: “Martinus bisschop! Martinus bisschop!”
Ze grepen Martinus vast, haalden hem naar voren en zetten hem vooraan op de bisschopsstoel. En ze riepen:
“Leve Martinus, onze nieuwe bisschop!”
Niemand heeft het protest van Martinus gehoord, zo werd er gejuicht.
En van die dag af was Martinus bisschop van Tours.
[Naar: Jacobus de Voragine ‘Legenda Aurea...’; Sulpicius Severus 9]

- Legende 6: Hoe Martinus een heidense plek kerstende -
In een dorp had Martinus net een oude tempel verwoest. Nu begon hij de pijnboom vlak ernaast om te hakken. Maar dit ging de priester en de heidense bevolking toch te ver. Ze hadden al, op zijn bevel, machteloos moeten toezien hoe hun tempel werd verwoest. Maar nu hun heilige boom werd geveld, kwamen ze in actie.
Martinus probeerde hun bij herhaling duidelijk te maken dat een boomstam helemaal niet heilig was:
"Jullie kunnen beter doen zoals ik. Volg mijn God. In ieder geval moet deze boom om, want hij is aan een demon toegewijd."

Toen zei er één - de brutaalste van het stel:
"Laat maar eens zien hoe jij op die God van jou vertrouwt. Wij vellen zelf onze boom. En jij moet hem, als hij neerkomt, met je blote handen opvangen. Als die zogenaamde Heer van jou met je is, zal je het er ook wel levend van af brengen."

Onverschrokken en in vertrouwen op God ging Martinus op dit voorstel in. De heidenen wreven zich in de handen. Wat betekende het verlies van de ene boom, als deze in zijn val hun aartsvijand zou meeslepen en verpletteren?
De pijnboom was in de loop der jaren scheefgegroeid. Hij helde zwaar naar één kant over. Je kon zo zien waar hij zou neerkomen, als je hem zou omhakken. Nou, daar werd dus Martinus met vastgebonden voeten neergezet. Opgewekt namen ze de bijl ter hand en begon te hakken.
Op een eerbiedige afstand keken de mensen verbaasd toe. De pijnboom begon al vervaarlijk over te hellen. Elk ogenblik kon hij naar beneden komen. Van verre stonden Martinus' monniken toe te zien, doodsbleek en als aan de grond genageld. Ze hadden alle geloof en hoop verloren. Het wachten was alleen nog maar op het moment van Martinus' dood. Maar hijzelf stond daar rechtop, vol vertrouwen op de Heer.
Reeds begon de pijnboom te kraken. Hij wankelde en stortte omlaag recht op Martinus af. Deze hief eenvoudig zijn hand op en maakte naar de boom een kruisteken.
Het was alsof de boom in een wervelwind werd opgenomen en teruggedreven. Toen stortte hij precies in de andere richting met een geweldig gekraak omlaag. Vlak voor de voeten van een paar boeren die op veilige afstand dachten te staan. Ze schreeuwden van angst.
De heidenen waren met stomheid geslagen. En de monniken huilden van vreugde en riepen in koor God aan.
Op die dag is het heil in die streek gekomen. Er was geen heiden meer die niet van harte de handoplegging onderging. Ze zwoeren de demonen af en geloofden voortaan in Jezus Christus.
[Naar: Jacobus de Voragine 'Legenda Aurea...'; Sulpicius Severus 13]

'Ongeveer in de tijd dat Martinus bisschop werd, was hij genoodzaakt het hof van de caesar te bezoeken: dat was toen Valentinianus.

Het jaar van Martinus' bisschopswijding wordt geplaatst tussen 370 en 372. Valentinianus (364-375) resideerde in Trier van 364 tot 374. Zijn gemalin heette Justina. Over de aanleiding tot het bezoek en met welke wensen Martinus naar de caesar ging, doet Gallus helaas geen mededeling.

Toen deze te weten kwam dat Martinus voor iets kwam wat hij niet wilde toestaan, beval hij hem buiten de paleispoort te houden. Die harde en hoogmoedige mentaliteit was mede veroorzaakt door zijn ariaanse vrouw. Die had ervoor gezorgd dat hij een hekel had gekregen aan de heilige, zodat hij weigerde hem met het nodige respect te behandelen. Herhaaldelijk probeerde Martinus de hoogmoedige vorst te benaderen. Maar toen dat niet lukte, nam hij zijn toevlucht tot zijn gebruikelijke wapenen. Hij hulde zich in een geitenharen kleed, bestrooide zich met as, onthield zich van spijs en drank en bleef dag en nacht bidden. Op de zevende dag kwam een engel bij hem staan. Die zei dat hij gerust naar het paleis kon gaan. De stevig vergrendelde paleisdeuren zouden vanzelf opengaan en de hoogmoed van de caesar zou verschrompelen. Bemoedigd door deze woorden en vertrouwend op deze bijstand, begaf hij zich naar het paleis. De deuren bleken open te staan; er was niemand die hem iets in de weg legde. Zo kon hij tot de vorst doordringen zonder door iemand te worden tegengehouden. Deze zag hem al van verre op zich af komen en vroeg zich knarsetandend af, hoe hij binnengelaten kon zijn. Hij vond het niet nodig op te staan voor zijn gast. Maar een vuurgloed trok door de koninklijke troon en schroeide het lichaamsdeel waarmee hij erop zat. Zo werd de hoogmoedige man van zijn troon omhooggedreven en moest hij wel voor Martinus opstaan. Hij omhelsde de man stevig die hij daarnet nog had willen vernederen. Maar hij had zich gebeterd, omdat hij zei goddelijke kracht gevoeld te hebben... Hij wachtte de smeekbeden van Martinus niet af, maar was hem op voorhand terwille in alles waarvoor hij kwam. Herhaalde malen nodigde hij hem uit voor een gesprek en de maaltijd. Bij zijn vertrek bood hij hem geschenken aan. Maar de zalige hield het bij de armoede en wees ze allemaal af.'
[Sulpicius Severus Dialoog II,5 in: C.W.Mönnich 'Martinus van Tours' coll. Reidans der heiligen Amsterdam, Moussault, 1962 p:93-94 (vertaling door mij aangepast, DvdA)]

In de levensbeschrijving van Sint Maarten maakt Sulpicius Severus melding van nog enkele wonderen die Martinus te Trier verrichtte. Het is niet duidelijk of die bij dit bezoek plaatsvonden of tijdens de verwikkelingen rond Priscillianus en Ithacius (zie verderop). Ik kies voor deze gelegenheid, omdat er wordt verteld dat Martinus zich door collega-bisschoppen laat overreden een genezing te verrichten; dat past niet bij de omstandigheden van 385.

- Genezing van een verlamd meisje -

'In Trier leed een meisje aan zo'n vreselijke verlamming dat haar lichaam sinds lang elke dienst weigerde die voor een mensenleven noodzakelijk is. Haast alle leven was uit haar geweken en een zwakke adem deed haar nauwelijks bewegen. Bedroefd stonden haar verwanten om haar heen en wachtten alleen nog maar de dood af, toen hen plots het bericht bereikte, dat Martinus in de stad was. Zodra de vader van het meisje dat vernam, ging hij de deur uit om bij hem hulp voor zijn dochter te vragen.
Nu was Martinus juist de kerk binnengegaan. Onder de ogen van het volk en in aanwezigheid van vele andere bisschoppen legde de oude man daar snikkend zijn handen om Martinus' knieën en zei:
"Mijn dochter sterft aan een vreselijke ziekte en - wat wreder is dan de dood zelf - alleen maar met haar adem geeft zij nog een teken van leven, haar lichaam is al bijna dood. Ik vraag u haar te komen zegenen, want ik vertrouw erop dat zij door u weer gezond zal kunnen worden."

Die woorden brachten Martinus in verwarring; hij was onthutst en zei ontwijkend dat zoiets niet in zijn macht lag, dat de oude man het verkeerd voorhad en dat hij, Martinus, niet waardig was dat de Heer door hem een teken van zijn macht zou laten zien. De vader weende, drong nog meer aan en smeekte hem zijn zieltogend kind te komen bezoeken. Onder druk van de bisschoppen die hem omringden, ging Martinus uiteindelijk naar het huis van het meisje. Voor de deur stond een enorme menigte in afwachting van wat de dienaar Gods zou gaan doen. Om te beginnen wierp Martinus zich op de grond en bad, want dat waren zijn vetrouwde strijdmiddelen in dergelijke omstandigheden. Daarna bekeek hij de zieke aandachtig en vroeg om olie. Hij zegende de olie en goot de krachtige, heilige vloeistof in de mond van het meisje. Terstond kon zij weer spreken. Dan raakte hij haar ledematen een voor een aan en geleidelijk begon zij tot leven te komen, todat zij voor de ogen van het volk stevig overeind ging staan.'
[Sulpicius Severus 'Het leven van Sint-Maarten' hfdst.16 vert. Patrick Lateur, Tielt, Lannoo, 1997 ISBN 90-2093225-x p:44-45]

De gelijkenis met Jezus' opwekking van Jaïrus' dochtertje is niet alleen opvallend, maar ook uitdrukkelijk gewild. Vele van dergelijke heiligenverhalen hebben de bedoeling aan te tonen dat in de persoon van de heilige het evangelie in hun midden is gebeurd.

- Twee bezetenen bevrijd -

'Een slaaf van ene Taetradius [ook Tetradius], een proconsul, was in diezelfde periode bezeten door een demon die hem dusdanig folterde dat hij verging van de pijn. Men vroeg Martinus hem de hand op te leggen en hij zei dat ze de man bij hem moesten brengen. Men kon de boze geest op geen enkele manier uit het kamertje krijgen waarin hij zich ophield, zo woest beet hij om zich heen in de richting van alwie hem benaderden. Toen viel Taetradius voor de gelukzalige man op de knieën en smeekte hem zelf naar het huis te komen waar de bezetene werd vastgehouden. Maar Martinus zei dat hij niet naar het huis van een ongelovige heiden kon komen. (In die tijd zat Taetradius namelijk nog verstrikt in de dwaling van het heidendom). Hij beloofde dus plechtig dat hij christen zou worden, als de demon uit zijn jonge slaaf verdreven zou zijn. En zo legde Martinus de slaaf de handen op en verdreef de onreine geest uit hem. Toen Taetradius dat zag, geloofde hij in Jezus Christus en werd onmiddellijk geloofsleerling. Kort nadien liet hij zich dopen en hij bleef een bijzondere genegenheid koesteren voor Martinus die hem gered had.'

De gelijkenis met Jezus' genezing van de knecht van de honderdman is opvallend, zij het dan dat Jezus niet uitgenodigd wordt het huis van de ongelovige binnen te gaan, maar de genezing op afstand uitvoert: Matteüs 08,05-13. De legende wil ons op het hart drukken dat met de persoon van Martinus de tijden van het evangelie zijn weergekeerd.
In de levensbeschrijving van de heilige bisschop Magnerik van Trier (zie verder) lezen we hoe hij de Sint-Martinuskerk die uit Taetradius' huis is voortgekomen, renoveert. Blijkbaar heeft Taetradius in later jaren zijn huis laten ombouwen tot een Martinuskerk.

'In dezelfde tijd en in dezelfde stad betrad Martinus eens de woning van een familiehoofd. Maar hij ging niet verder dan de drempel en zei dat hij in de ontvangstruimte van het huis een verschrikkelijke demon zag. Toen hij hem beval weg te gaan, maakte de demon zich meester van de kok van de heer des huizes, die zich in de kamer achterin bevond. De ongelukkige begon met zijn tanden woest tekeer te gaan en dreigde ieder die hem voor de voeten kwam, te verscheuren. Dat veroorzaakte grote opschudding in huis en paniek onder het personeel: de bewoners sloegen op de vlucht. Martinus vatte post vóór de razende man en gaf hem eerst bevel te blijven staan. Maar toen deze met zijn tanden gromde en zijn mond dreigend opensperde om te bijten, stak Martinus hem de vingers in de mond en zei: "Als jij enige macht hebt, vreet dan mijn vingers op." Toen was het alsof de man een gloeiend ijzer in de keel had gekregen. De bezetene hield zijn tanden ver van de vingers van de gelukzalige en probeerde elk contact te vermijden. Door deze kwelling werd hij gedwongen het bezeten lichaam te ontvluchten. Daar een uitweg via de mond onmogelijk was, werd hij via de ontlasting uitgeworpen en hij liet een stinkend spoor na.'
[Sulpicius Severus 'Het leven van Sint-Maarten' hfdst.17 vert. Patrick Lateur, Tielt, Lannoo, 1997 ISBN 90-2093225-x p:45-46]

'Intussen was er in de stad plots opschudding ontstaan door een gerucht over verhuizingen en invallen van barbaren. Martinus vroeg iemand vóór hem te brengen die door een demon bezeten was en liet hem verklaren of dit bericht juist was. De man bekende dat tien demonen hem hadden geholpen om dat gerucht onder het volk te verspreiden in de hoop dat Martinus tenminste door dat schrikbeeld de stad zou ontvluchten. De barbaren dachten zelfs niet aan een inval. De onreine geest bekende dat in een volle kerk en zo werd de stad bevrijd van de angst en de verwarring die heersten.'
[Sulpicius Severus 'Het leven van Sint-Maarten' hfdst.18 vert. Patrick Lateur, Tielt, Lannoo, 1997; ISBN 90-2093225-x p:46-47; [Dries van den Akker s.j./2005.03.21]

- Legende 7: Hoe Martinus een melaatse begroette -
Toen hij eens de poort van de stad Parijs binnenkwam, omringd door een grote massa mensen, kuste hij tot ontzetting van de omstanders een melaatse die daar zat zomaar op het gehavende gelaat, en hij zegende hem. Op hetzelfde moment was hij gereinigd van alle kwaad. De volgende dag ging hij naar de kerk. Daar stond de man met een aantal kennissen op hem te wachten om hem zijn gave, reine huid te laten zien. Hij liep over van dankbaarheid voor zijn wonderbare genezing.
[Sulpicius Severus 18]

- Legende 8: Hoe Martinus zelf deelde in de gaven van genezing -
Martinus zelf is eens van de trap gevallen. Door de ruwe en ongelijke stenen treden was hij op vele plekken behoorlijk toegetakeld en ernstig gewond. Men bracht hem halfdood in zijn cel. Hij had ontzettend veel pijn overal in zijn lichaam. Maar 's nachts verscheen hem een engel die zijn wonden uitwaste en de beurse plekken insmeerde met weldadige zalf. Met als gevolg dat hij de volgende morgen weer helemaal beter was; alsof er niets was gebeurd.
[Sulpicius Severus 19]

- Legende 9: Hoe Martinus bij de keizer aan tafel werd genodigd -
Toen Maximus in 383 keizer werd, probeerden er heel wat bij hem in het gevlei te komen. Die Maximus was een ruwe man en niet weinig met zichzelf ingenomen omdat hij al zijn tegenstanders en concurrenten had weten te verslaan. Zelfs geestelijken gingen zover zich voor deze man neer te werpen! Martinus was hierop een weldadige uitzondering. Hij bleef de ware orde der mensen in het oog houden. Als hij aan tafel bij de keizer werd uitgenodigd, sloeg hij dat doorgaans af met als argument dat hij niet aan tafel kon zitten met iemand die in zijn gretigheid om keizer te worden, vele mensen daarbij van het leven had geroofd. Maximus had een andere zienswijze en probeerde de heilige daarvan te overtuigen. Hij liet hem zien, hoe hij niet zelf de macht had gegrepen, maar dat zijn soldaten hem die macht hadden gegeven en dat ze voor hem die macht verdedigd hadden. Hij meende er Gods hand in te zien dat hij zo'n groet overwinning had gehaald; bovendien waren alle doden gevallen in de strijd en op geen enkele andere manier. Uiteindelijk liet Martinus zich overhalen om bij de keizer de maaltijd te gebruiken. Ze waren er allemaal, de hooggeplaatsten, de gezagsdragers en functionarissen. Daar zat Evodius, prefect en consul: hij stond bekend als een strikt rechtvaardig man. De twee onderkoningen waren er, bekleed met de hoogste waardigheid. Daarnaast de broer en de oom van de vorst. In hun midden lag Martinus aan, meteen naast de keizer. Hij was in het gezelschap van zijn priester.
Nu behoorde het tot het protocol dat halverwege de maaltijd een dienaar aan de vorst de drinkschaal aanbood. De vorst kende de regels van de wellevendheid en beval dat de schaal eerst aan zijn hooggeplaatste gast, de bisschop, moest worden aangeboden. Hij verwachtte vanzelfsprekend dat deze hem dan weer op zijn beurt aan hem zou overreiken. Maar nadat Martinus eruit gedronken had, gaf hij de schaal over zijn priester. Hij ging er immers vanuit dat een geestelijke, zelfs was het een lager geplaatste, hoger stond dan een werelds heerser.
Hoewel de keizer zich eigenlijk gepasseerd had kunnen voelen, bewonderde hij deze consequente daad van Martinus. En toen bewonderden ze hem allemaal. Het ging als een lopend vuurtje door het paleis: Martinus had bij de keizer aan tafel gedaan wat bij de maaltijden van de lager geplaatsten nog geen van de andere bisschoppen had gedurfd.
[Sulpicius Severus 20]

- Legende 10: Hoe Martinus goed en kwaad onderscheidde -
Martinus blonk ook uit in het onderscheiden van boze geesten. Hij wist ze te doorzien onder al hun vermommingen, het geeft niet of zij nu de gedaante aannamen van Jupiter, Mecurius, Venus of Minerva.
Op een dag verscheen hem de duivel in de gedaante van een koning. Hij ging in purper gekleed, droeg een diadeem op het hoofd, was geheel bedekt met goud en edelgesteente. Hij had een rustig gezicht met een lichte glimlach. Na een lange stilte zei hij:
"Martinus, herken degene die je aanbidt. Ik ben de Christus. Ik ben op aarde teruggekeerd. En ik wilde het eerste aan jou verschijnen."
Martinus antwoordde in het geheel niet.
"Martinus, waarom aarzel je nog te geloven? Je ziet me toch? Ik ben de Christus."
Op dat moment antwoordde de grote heilige:
"Als mijn Heer Jezus op aarde zou terugkeren, zou Hij niet in purper gekleed gaan, en Hij zou zeker geen diadeem op zijn hoofd zetten."
Waarop de duivel onmiddellijk verdween, terwijl een afschuwelijke stank de cel van de heilige vervulde.
[Naar: Jacobus de Voragine 'Legenda Aurea...'; Sulpicius Severus 24]

- Legende 11: Hoe bisschop Martinus een arme hielp -
Op een dag ging hij met de belangrijkste van zijn diakens naar de kerk om voor het volk een feestelijke heilige mis op te dragen. De hele weg liep er een arme sloeber achter hem aan die helemaal niks aan had. Martinus gaf zijn diaken de opdracht:
"Zorg dat die arme man wat kleren krijgt."
Maar de diaken had geen zin om op kleren uit te gaan. Hij ging dus vlug de kerk in om alles klaar te zetten voor de mis.

Intussen begaf Martinus zich naar de sacristie. Daar schonk hij zijn tuniek aan de arme sloeber met de woorden:
"Ga vlug naar huis en zorg dat niemand je ziet."

Meteen daarna kwam de diaken de sacristie binnen om Martinus te waarschuwen dat hij met de heilige mis kon beginnen. Maar Martinus riep vanuit de verste hoek:
"Ik kan de heilige mis niet opdragen, zolang de arme man geen kleren heeft."
Toen ging die diaken met een kwaaie kop naar de markt. Daar kocht hij voor een habbekrats een waardeloze tuniek. Die gooide hij de sacristie in naar de plek waar Martinus ongeveer stond. (Hij wist nog altijd niet dat het Martinus zelf was die die kleren nodig had!)

De heilige bisschop trok het waardeloze geval aan: het viel nog niet eens tot op zijn knieën en de mouwen kwamen tot op zijn elleboog. In deze kledij droeg Martinus voor de ogen van het volk de plechtige heilige mis op...
[Naar: Jacobus de Voragine 'Legenda Aurea...']

- Legende 12: Over Martinus en Brictius -
In Martinus' klooster Marmoutiers werden zijn volgelingen gevormd. Hij bracht hun de liefde bij voor een eerlijke christelijke levenswijze, zonder ophef. Hij waarschuwde ze bij herhaling voor de ketterij van het Arianisme, die nog altijd veel invloed had.
Tegelijkertijd nam hij gevluchte ketters liefdevol in zijn klooster op om ze te beschermen tegen heethoofden die hun het leven wilden benemen. Vaak was dat de eerste stap voor zo iemand om zich tot de ware geloofsgemeenschap te bekeren. Uit de priesters die hij in zijn klooster vormde, kwamen vele heilige geloofsverkondigers, abten en bisschoppen voort.
Dat dit toch ook niet altijd even makkelijk was, blijkt uit een verhaal over Martinus' opvolger, de latere bisschop Brictius van Tours.

We komen Brictius voor het eerst tegen als monnik in Martinus' kloostergemeenschap. Volgens Sulpicius Severus had de heilige hem uit de goot opgeraapt en onder zijn hoede genomen. Het schijnt geen sympathieke jongeman geweest te zijn. Hij wordt arrogant en zelfingenomen genoemd. Met weinig respect voor zijn grote en beroemde weldoener. Bij herhaling schijnt Martinus verzucht te hebben:
"Christus heeft Judas moeten verdragen, ik heb mijn Brictius".
Zo zou er op een dag een zieke man bij Martinus' klooster aangeklopt hebben: hij wilde graag beter gemaakt worden en kwam daarvoor de hulp van de heilige inroepen. Na zijn verlegenheid overwonnen te hebben, besloot hij één van de monniken aan te schieten. Hij trof Brictius, "op dat moment nog maar een diaken" merkt de verteller van dit verhaal, Gregorius van Tours, veelbetekenend op:
"Nou hang ik hier al een halve dag rond in de hoop de heilige man tegen het lijf te lopen", zegt de bedelaar, "maar ik zou niet weten waar ik hem zoeken moest."
Waarop Brictius geantwoord moet hebben:
"Als je die halve gare zoekt, dan moet je eens daar kijken: op zijn wezenloze manier zit-ie weer eens naar de hemel te staren."
De arme man stevende meteen op Martinus af, en verkreeg waar hij voor kwam. Daarna wendde de heilige zich tot zijn diaken Brictius met de woorden:
"Ik ben dus in jouw ogen een wezenloze halve gare?"
Brictius voelde zich betrapt en probeerde het te ontkennen. Maar Martinus vervolgde:
"Ik kon je woordelijk verstaan, ook al stond je ver van me af. Ik zeg je: zo juist gaf de Heer onze God mij te verstaan dat jij na mijn dood geroepen zult worden tot de eer van het bisschopsambt. Maar het zal je veel verdriet bezorgen."
Nu kon Brictius weer lachen als vanouds:
"Zéi ik het niet dat u een beetje getikt bent!"

[Naar Sulpicius Severus en Gregorius van Tours]

- Legende 13: Over het sterven van Martinus -
Martinus kende lang van tevoren het moment van zijn sterven.
Op een dag ging hij naar het diocees Candes om een ruzie bij te leggen. Hij voelde dat de kracht uit zijn lichaam begon te vloeien. En hij gaf zijn leerlingen te kennen, dat zijn tijd gekomen was. De leerlingen waren in tranen en ze smeekten hem:
"Vader Martinus, u kunt ons toch niet alleen laten! We zullen ontroostbaar zijn. U ziet zelf hoe de wolven op de loer liggen om uw kudde - ons dus - te verscheuren."

Martinus was getroffen door hun tranen en smekingen. Hij bad tot God met de volgende woorden:
"Heer God, als u mij hier nog nodig hebt voor uw mensen, dan wil ik dat karwei niet uit de weg gaan. Uw wil geschiede."
Martinus was in tweestrijd. Hij wist nu zelf niet meer wat hij het liefste wilde. Enerzijds wilde hij zijn kudde leerlingen niet in de steek laten, anderzijds zou hij maar al te graag in de hemel bij Christus willen zijn.
Intussen had hij hevige koorts. Zijn leerlingen vroegen hem:
"Laat ons toch een beetje stro onder het matje leggen waar u op ligt."
Hij antwoordde:
"Nee kinderen, een christen moet sterven in as en stof. Want uit stof zijn wij gemaakt en tot stof zullen wij weer vergaan."
Hij lag plat op zijn rug, zijn ogen en handen ten hemel geheven. Toen vroegen zijn priesters:
"Maak het u toch wat gemakkelijker. Ga toch een even op uw zij liggen."
"Nee broeders, ik houd liever de blik gericht op de hemel dan op de aarde."

Toen zag hij hoe de duivel op hem loerde. En hij zei:
"Wat doe je hier, lelijk monster? Je krijgt me toch niet meer te pakken. Want ik zie Abraham al klaar staan met zijn armen wijd open om mij te verwelkomen."

Na deze woorden gaf hij de geest. Zijn gezicht straalde schitterend. Het leek wel, of hij al bekleed was met Gods licht. Die erbij stonden hoorden een koor van engelen, toen hij in de hemel werd opgenomen.

Hij stierf op 81-jarige leeftijd, in het jaar 395, toen Honorius en Arcadius keizer waren.

Bij de begrafenisplechtigheden in Candes troffen elkaar de inwoners van Poitiers en die van Tours. Die-van-Poitiers zeiden:
"Bij óns was hij monnik. Wij mogen dus zijn lijk hebben."
Maar die-van-Tours zeiden:
"God heeft hem bij jullie weggehaald om hem bij ons bisschop te laten worden."

's Nachts toen die-van-Poitiers sliepen, namen die-van-Tours stiekem Martinus' lijk weg, wierpen het door het raam naar buiten in een boot die daaronder klaarlag en voerden het met zich mee over de rivier de Loire naar de stad Tours.
Daar rust Martinus in zijn graf tot op de dag van vandaag.
[Naar: Jacobus de Voragine 'Legenda Aurea...']

- Legende 14: Een genezing bij de overbrenging van Martinus' lijk -
Toen hij gestorven was, waren er in Tours twee vrienden: de één was blind, de ander lam. De blinde droeg de lamme, die aan de blinde vertelde waar hij moest lopen. Al bedelend wisten ze royaal aan hun boterham te komen.
Als ze horen dat het lichaam van Martinus in een processie wordt overgebracht naar de kerk, schrikken ze:
"Stel je voor dat hij ons geneest; dan zijn we niet zielig meer. Dan gaat onze broodwinning eraan!"

Ze besluiten hun toevlucht te nemen tot een smal straatje waar de processie zeker niet doorkan. Maar onderweg komen ze onverwacht de processie tegen en ze worden allebei genezen.
Zo zie je maar - besluit de legende - dat God zijn gaven schenkt zelfs aan degenen die er helemaal niet vragen.
[Naar: Jacobus de Voragine 'Legenda Aurea...']

Verering & Cultuur
Omdat hij van hetzelfde kaliber was als de apostelen, trokken in de middeleeuwen vele pelgrims naar zijn graf. Dat haalde net zo veel uit als een pelgrimstocht naar Rome, waar de kopstukken van de Kerk, Petrus en Paulus vereerd werden. Als de Frankische koning oorlog moest voeren en ten strijde trok, nam hij Martinus' mantel als een kostbare reliek mee in de hoop dat het hem de overwinning zou brengen. In vredestijd bevond zich het kledingstuk in een aparte gebedsruimte in het koninklijk paleis. Men geloofde graag dat het dezelfde mantel was die hij destijds met de arme man van Amiens had gedeeld. Het kledingstuk genoot er grote verering. Vele pelgrims trokken naar Martinus' mantel, 'capella' genoemd (vgl. ons Engelse woord 'cape'). Het woord 'kapel' is ervan afgeleid, want stilaan ging de betekenis van dit woord over op de ruimte waar de capella werd vereerd. De bewaarder heette 'capellanus'; daar komt ons woord 'kapelaan' vandaan.

- Legende over de relieken van St-Germain-Auxerrois en St-Martin -
Het schijnt dat Martinus' relieken eens ten tijde van een oorlog in veiligheid gebracht moesten worden. Men vervoerde ze naar Auxerre, naar de kerk waar de grote bisschop St-Germain begraven lag. Naast diens sarcofaag werd dus het stoffelijk overschot van Martinus geplaatst. Al gauw ontstond er strijd onder de vereerders van beide heiligen, welke van de twee de grootste zou zijn. Men besloot het op een godsoordeel te laten aankomen. Er werd iemand uit het gasthuis gehaald die zeer onlangs was gestorven. Eerst legde men hem op het graf van Sint Germanus, maar er gebeurde niets. Vervolgens legde men hem op Martinus' sarcofaag en onmiddellijk stond de dode op. Groot gejuich onder Martinus' aanhang: hun heilige had zich de grootste betoond. Maar die van Saint-Germain bewonderden het in hun patroon dat hij in zijn gastvrijheid de eer aan zijn gast gelaten had...


Weerspreuk(en)
'Al moet Sint Maarten een mantel dragen,
hij moet toch nog wandelen in zomerse dagen.' [213]

'Als het blad niet valt voor Sint Martijn,
zo zal 't een strenge winter zijn.' [213]

'Als het nevelig is met Sint Martijn,
dan zal de winter niet koud zijn;
maar heeft de Sint een witte baard,
dan blijft ons sneeuw noch ijs bespaard.' [213]

'Als op Sint-Maarten de ganzen op het ijs staan,
zullen ze met kerstmis door het slijk gaan.' [131; 213]

'Blad aan de bomen met Sint Martijn,
dan zal 't een strenge winter zijn.[213]

'Bringt Sankt Martin Sonnenschein,
tritt ein kalter Winter ein.' [213]
[Brengt Sint Maarten zonneschijn,
dan zal 't een koude winter zijn.]

'De Misse van Sint Maarten,
brengt ons de winter in 't herte.' [213]

'Der heilige Martin
treibt den Alten ans Kamin.' [213]
[Als Sint Maarten koud is,
komt naar 't vuur wie oud is]

'Donkere lucht op Sinte Martijn:
zo zal het een zachte winter zijn.' [213]

'Donkere Sint Maarten: lichte Kerstmis.' [213]

'Gibt es vor Sankt Martin starken Frost,
dann wird der Winter gelind. [213]
[Vriest het vóór Sint Maarten streng,
dan wordt de winter zacht.]

'If it is at Martin's Day fair, dry and cold,
the cold in winter will not last long.'
[Is Sint Maartensdag helder, droog en koud,
de winterkou het niet lang houdt]

'If Martinmas ice can bear a duck,
the winter be all mire and muck.' [213]
[Als Maartensmis-ijs een eend kan dragen,
komt de winter met blubber en bagger plagen]

'If the geese at Martin's Day stand on ice,
they will walk in mud at Christmas.' [213]
[Als de ganzen met Sint Maarten op het ijs staan,
dan zullen zij met Kerstmis door het slijk gaan]

'If the wind is in the north-west at Martinmas,
severe winter will come.'
[Is het noord-westen wind met Maartensmis,
dan is een strenge winter op komst.]

'Is de lucht op Sint Maarten helder,
dan dringt de vorst in menige kelder.'
[213]

'Is het donkere lucht op Sint-Martijn,
zo zal het een zachte winter zijn;
maar is die dag het weder helder,
de vorst dringt door in meen'ge kelder.' [131; 213]

'Is om Sint Maarten nog loof aan de bomen,
zo moogt ge van een strenge winter dromen. [131; 213]

'Ist der Martin hell,
komt der Winter schnell' [213]
[Is Sint Maarten blauw,
dan komt de winter gauw]

'Ist Martins Tag ein trüber Tag,
folgt gelinder Winter nach' [213]
[Is Maartensdag vochtig en grauw,
de winter brengt beslist geen kou.]

'Martinus trüb und feucht,
ist gewiss der Winter leicht' [213]
[Wordt met Martinus vocht gebracht,
dan wordt de winter zeker zacht.]

'Na een feest van Sint Maarten
krijgt de winter schone kaarten.' [213]

'Nevels in Sint Maartensnacht
maken de winter kort en zacht. [213]

'Sankt Martin setzt sich schon mit Dank
am warmen Ofen auf die Bank.' [213]
[Sint Maarten zit met dank
reeds op warme kachelbank]

'Si l'hiver va droit son chemin,
vous l'aurez à la Saint Martin.' [213]
[Als het aan de winter lag,
was-t-ie er al met Maartensdag]

'Sint-Maarten zit met dank
reeds op de warme kachelbank.' [131]

'Staat met Sinte Maarten op 't ijs de gans,
zo houdt ze met Kerstmis in 't water een dans.' [213]

'Wenn auf Martini Nebel sind,
wird der Winter gelind' [213]
[Mist en nevel met Martijn'
het zal een zachte winter zijn.]

'Wie Sankt Martin sich führt ein,
so soll zumeist der Winter sein.' [213]
[Zoals het is met Sint Martijn,
zo zal 't de hele winter zijn]

'Wind south-west at St. Martin's Day,
it keeps there till after Candlemas,
with a mild winter up to then
and no snow to speak of.'
[Zuid-westen wind op Maartensdag
zal blijven tot Maria-Lichtmis (2 febr.)
en al die tijd een zachte winter
zonder noemenswaardige sneeuw]

'Wolken am Martinitag,
der Winter unbeständig werden mag' [213]
[Wolken op de dag van Sint Martijn:
de winter zal wel onbestendig zijn.]

'Wolken met Sint Maarten
geven een onbestendige winter aan.' [213]

'Zuidenwind op de dag voor Martijn,
't zal een zachte winter zijn.'[?]

Omdat zijn feestdag zo'n beetje samenvalt met het begin van de winter, zijn op 11 november vele boerengebruiken geconcentreerd: Martinusgans, Martinusgebak, Martinusvuur; de werklui kregen hun loon uitbetaald, het was de dag dat pachtovereenkomsten werden afgesloten of verlengd; belastingen werden opgehaald.
Er bestaat een gedichtje van Erasmus Widmann (1572-1634) over de Martinusgans:
Was haben doch die Gäns getan
dass so viel müssen 's Leben lan?
Ist's wahr dass sie verraten han
Sankt Martin, den heiligen Mann?
So müssen 's mit dem Leben zwar
den Zehnten geben alle Jahr
Bei süssen Most und kühlen Wein
vertreibt man ihn'n das Dadern fein.
So lasset uns all ins gemein
bei g'bratnen Gänsen fröhlich sein.

- Patroonheilige -

Martinus is patroon van vele bisdommen en steden. (Zie de afzonderlijke landen).
Daarnaast is hij patroon van de soldaten, de cavaleristen, de ruiters en de ridders; van de hoef- en wapensmeden; van de wevers, ververs, kleermakers, ceintuurvlechters, handschoenenfabrikanten, hoedenmakers, borstelbinders en kuipers; van herders, molenaars, wijnbouwers, waarden en kasteleins en van hoteliers; van stadsomroepers; van de reizigers, de armen en bedelaars; van de gevangenen; van de geheelonthouders; van de huisdieren, paarden, ganzen. Hij wordt aangeroepen tegen oogaandoeningen, slangenbeten en de huidziekte roos. Ook wordt zijn voorspraak gevraagd voor het groeien van een goede oogst.

Verering in Frankrijk
Koning Clovis I († 511) riep Martinus uit tot schutspatroon van de Frankische koningen en het hele Frankische volk. Dat gebeurde als volgt. Aan de vooravond van een belangrijke slag tegen de ariaanse Visigoten begaf hij zich naar Tours om de bescherming van Martinus af te smeken. Had ook hij niet tegen de Arianen moeten vechten gedurende zijn leven? Clovis stuurde enkele dienaren vooruit naar Martinus' heiligdom - dat toen nog heel bescheiden kerkje was - met de bede: "Heer, ik wil graag weten of u mij wilt helpen en dat ongelovige volk in handen in mijn handen wilt doen vallen. Als dat werkelijk zo is, zou u dan zo goed willen zijn aan mijn dienaars hier een teken te geven op het moment dat zij uw heiligdom binnengaan?" Clovis' afgezanten bereikten het kerkje op het moment dat de monniken er hun koorgebed aan het zingen waren. Toen zij de ruimte binnenstapten zette de koorleider juist een psalm in die begon met de woorden : "Heer, u hebt mij omgord voor de strijd, u hebt degenen die tegen mij opstonden, onderworpen; u hebt al mijn haters uit elkaar geslagen." Dat moest het teken zijn waarom Clovis had gevraagd. God zou aan zijn kant staan in de strijd! Door de overwinning die de koning behaalde, kreeg hij heel Gallië in bezit van het noorden tot aan de Pyreneeën aan toe. Dankbaar keerde hij terug naar Tours om zijn beschermheilige te bedanken. Op het graf van Martinus liet hij zich tot koning wijden. Zo werd Martinus patroon van het Merovingische en Frankische koningshuis en later van Frankrijk.
Tot op de dag van vandaag telt bv. Frankrijk nog zo'n 3600 Martinuskerken. Er zijn minstens 485 steden en dorpen die naar hem zijn genoemd.
Al vroeg in de middeleeuwen lag even ten noorden van Parijs het klooster St-Martin-des-Champs. Op het grafmonument van de Frankische koning Dagobert, dat zich bevindt in de basiliek te St-Denis, staat hij afgebeeld tezamen met Mauritius en Dionysius: met zijn drieën weten zij de ziel van de vorst uit de klauwen van de duivel te bevrijden.

Verering in Italië
Beroemd is zijn afbeelding in de San Apollinare Nuovo te Ravenna. Op het mozaïek aan de zijwand van halverwege de 6e eeuw neemt hij de eerste plaats in in de rij martelaren, terwijl hij geen martelaar is!

Verering in Duitsland
Sankt Martin is de patroon van de dom te Mainz; ook van het bisdom Mainz. Hij is na Rupert tweede patroon van de stad Salzburg. Tot op de dag van vandaag markeert de toren van Gross-Sankt-Martin het stadsbeeld van Keulen.
Verder hebben de plaatsen Bingen en Dresden een St-Martinskerk.

Verering in Engeland
In Engeland kennen we het beroemde orkest van Saint-Martin in the Fields. Tegenwoordig staat dit kerkje in hartje Londen, maar, toen het gebouwd werd, stond het nog 'in het veld', zoals de naam aanduidt.

Verering in Nederland en België
Toen Willibrordus als eerste in onze streken het evangelie kwam preken, vestigde hij in Utrecht een kerk die hij aan Martinus toewijdde. Dat is de voorganger van de huidige domkerk, die nog altijd aan Martinus is toegewijd. Sint-Maarten is ook de patroon van de stad Utrecht; dat is nog altijd te zien aan het stadswapen, dat over de diagonaal in tweeën is gedeeld. De bovenste helft is wit, de onderste rood: symbolische weergave van Martinus' halve mantel.
Op bijgaand kaartje zien we hoeveel Maartenskerken er stonden in het Nederland van de middeleeuwen. In het Friese plaatsje Achlum stond in de middeleeuwen een regularissenkloostertje dat aan Martinus was toegewijd.[342p:28]

Thans zijn er Maartens- of Martinuskerken te Ankeveen, Arnhem, Baak, Beegden, Beek (Gelderland), Beek (Limburg), Beetgum, Bergum, Bolsward, Borgharen, Born, Bovenkarspel, Boyl, Bozum, Breda, Breust/Eijsden, Busloo, Cuijk, Didam, Doesburg, Doetinchem-Wijnbergen, Dokkum, Dommelen-Valkenswaard, Doorn-Langbroek, Doornenburg, Driel, Eindhoven, Enschede, Epe, Etten (Gelderland), Ferwerd, Franeker, Gaanderen, Gaastmeer, Gendringen, Gendt, Gennep (of toch Marinus?), Geulle, Giekerk, Giesbeek, Gorinchem, Groningen, Gronsveld, Halsteren, Hantum, Harderwijk, Heerlen-Welten, Heeze, Heiloo, Hempens, Herwen, Het-Schijf, Hillegom, Holtum, Hontenisse-Kloosterzande, Hoogezand, Hoogland-Bunschoten, Horn, Houthem-St-Gerlach, Idsega (of toch Mauritius?), IJlst, IJsbrechtum, Itens, Itteren, Katwijk/Maas, Kerkdriel, Kerkrade, Kollum, Koudum, Latum, Linne, Losser, Luijksgestel, Maartensdijk, Maartensvlotbrug, Maastricht-Itteren, Maastricht-Wijk, Makkum, Martenshoek, Mechelen, Medemblik, Minnertsga, Neer, Nijmegen, Noorden, Olland-St-Oedenrode, Oosterzee († Laurentius?), Oostrum-Texel, Oploo, Oud-Zevenaar, Ouddorp, Oudega-Wymbritseradeel, Oudeschild-Texel, Pannerden, Princenhage, Roodhuis-Oosterend, Roodkerk, Rossum, Rucphen, Scharnegoutum, Schiedam, Sneek, Spekholzerheide, St-Oedenrode, Stein-Limburg, Strijp-Terschelling, Tegelen, Tilburg, Tongelre, Twello-Duistervoorde, Tzummarum, Urmond, Utrecht, Vaassen, 't Veld-Niedorp, Velddriel, Venlo, Vijlen, Vlissingen-Oost, Vlodrop, Voorburg, Voorst, Warga, Warns, Weel, Weert, Wehl, Westergeest, Westwoud, Wirdum, Witmarsum, Zaltbommel, Zwaag.
Er is ook een Martinuskerk te Kortrijk.[Vrh:63]

[101a; 104; Mönnich 'Martinus van Tours' Amsterdam, Moussault, 1962 Serie Reidans der Heiligen; 000; 123p:138; 126; 132; 136/138; 145/146; 163p:233; 166p:62.134; 177p:71; 180; 81p:28.61.75; 182/183; 185t/o:24; 190/191p:219.222; 193p:165; 194p:176.25.60/61.64; 188afb:169; 204p:26; 213; 229p:580/581; 230nr:776; 233p:525; 237; 263vpl; 270p:160; 291; 293p:71; 295p:131v; 296; 297p; 352;300p:308vv.314.425; 304p:99; 305p:50-53; 306p:6; 307; 308; 309p:43; 318; 320; 322p:19.26.29; 333p:118.t/o:129; Dries van den Akker s.j/2007.11.03]


Sint Maarten, een portretje
Voor jubileumboek St-Maartensollege, Voorburg

De Mantel
Een achttienjarige Romeinse soldaat is op de terugweg naar zijn garnizoen in de Noord-Franse stad Amiens. Het is bitter koud. Onderweg heeft hij zich in de ogen van zijn medesoldaten belachelijk gemaakt door geld en voedsel weg te geven aan arme bedelaars. Martinus is te week voor een soldaat. Onder de stadspoort stuiten ze op en kleumende man; hij ziet blauw van de kou en heeft bijna geen hemd aan het lijf. De militairen kijken naar hun collega: "Nou, Martinus, wat kun je nu nog verzinnen om te weg geven. Straks heb je zelf geen broek meer aan je kont." Martinus bedenkt zich niet, zwaait zijn warme soldatenmantel van de schouders, trekt zijn zwaard en met één houw snijdt hij het kostbare kledingstuk doormidden. De ene helft geeft hij de arme man, de andere helft houdt hijzelf. "Daar krijg je straks last mee. Die zul je moeten vergoeden." Omstanders wijzen hem na en lachen hem uit: "Moet je die zien!"

Een heldendaad. Dit verhaal wordt verteld door een middeleeuwer. Middeleeuwers houden ervan de diepere betekenis van een gebeurtenis uit te leggen. Hij besluit dus zijn verhaal als volgt. Die nacht had Martinus een droom. Hij zag Christus in de hemel gehuld in zijn halve mantel. Hij zei tegen de engelen: "Martinus is nog maar geloofsleerling. Maar hij heeft begrepen: wat je aan de minste van de mensen doet, doe je aan Mij."

Sinds kort heeft Martinus zich opgegeven als kandidaat voor de nieuwe godsdienst van het christendom. Wat moet zo'n nieuweling doen? Geen regels uit zijn hoofd leren, maar ze in praktijk brengen: bidden, sober leven en aan liefdadigheid doen. Kort daarna is hij gedoopt. Een christen mag niet doden. Hij laat zijn officier weten dat hij ontslag neemt uit het leger. Deze hoont: "Je bent zeker te bang voor de veldslag van morgen?" Ze waren intussen naar Worms aan de Rijn gemarcheerd om daar binnenvallende Franken te bevechten. "Ik zal u laten zien van niet. Zet me morgen maar aan handen en voeten gebonden midden op het slagveld." Die morgen wordt er geen slag geleverd; de vijand komt met vredesvoorstellen. Martinus' middeleeuwse levensbeschrijver weet hoe dat komt: natuurlijk door Martinus' geestkracht!

Wij in de 21e eeuw zouden zoeken naar een natuurlijke verklaring, en zeggen dat de vijand bang was geworden van de overmacht der Romeinen. Maar de gelovige middeleeuwer zoekt liever een bovennatuurlijke verklaring voor de feiten. Laat iemand een glazen flesje vallen met kostbare door Martinus gezegende zalf, dan zegt zijn levensbeschrijver zelf: 'Wonderlijk genoeg bleef het heel; niet omdat het op stro viel, maar door Martinus' wondermacht.' Zo redeneerden ze toen. Ze wilden in alles de wondermacht van God en zijn heiligen zien.

Martinus gaat naar huis, zijn ouders bezoeken. Hij hoopt ze over te halen christen te worden. Moeder doet het; vader is woedend. Die had voor hem een glansrijke carrière gedroomd in het leger. Was zelf nog in het leger. Had zijn zoon niet voor niets naar oorlogsgod Mars genoemd. Martinus vertrekt. Hij heeft een andere vijand te bevechten. Die van de harteloze Romeinse cultuur die bolstaat van geweld en angst voor wraaknemende goden die niet bestaan maar door cynische priesters worden vereerd.

Martinus wordt monnik. Hij doet wat hij als geloofsleerling heeft geleerd: bidden, soberheid en aan liefdadigheid doen. Leerlingen sluiten zich aan om zijn leven te delen. Hij is een innemende man die het altijd voor de eenvoudige mensen opneemt. Zij dragen hem op handen. Als er een bisschop nodig is in Tours, willen ze Martinus. Maar de omringende bisschoppen moeten er niets van hebben: hij stinkt en is niet representatief genoeg; geeft te weinig om stijl en decorum. De stem van het volk is sterker.

Bisschop
Als bisschop is Martinus een buitenbeentje. Op een feestdag is hij met zijn dienaar onderweg naar de kerk voor een plechtige mis. Plots staat er een arme man voor hem. Martinus beduidt zijn dienaar iets te geven. Maar die doet net of hij niets ziet, glipt de kerk binnen en brengt daar alles in gereedheid. Intussen geeft Martinus zijn bisschopsmantel aan de man: "Maak er een goede prijs voor." Hij verstopt zich in de sacristie. "U kunt beginnen", steekt de dienaar zijn hoofd om de hoek. "Niet zolang de bedelaar niet is geholpen." Met een kwaaie kop gaat de dienaar naar de markt, koopt voor een habbekrats een haveloos geval en smijt dat bij de bisschop naar binnen. Deze trekt het aan en gaat zo voor in de plechtigheid.

En dat is precies waarom sommige meer op stand en status gestelde collega's hem niet moeten. Zoiets doe je niet. Zij resideren graag in hun paleis en laten zich bij Romeinse overheidsbeambten aan tafel noden; hij is onvermoeibaar onderweg om bijgelovige plattelanders te leren op God en naastenliefde te vertrouwen, en niet bang te zijn voor druïden en priesters van zogenaamde goden die dreigen met straf en wraak. Vaak is een aanraking al voldoende om mensen zijn weldaad te laten voelen. Gratis. Tot hun verbazing hoeven ze er niets voor te betalen.

In Spanje wordt iemand aangeklaagd wegens ketterij; hij brengt mensen op een dwaalspoor. "Hoe meer je lijdt, hoe beter het is", beweert hij. Op de bisschoppenvergadering pleit Martinus voor mildheid en vergiffenis: "We moeten beeld zijn van Jezus in het evangelie." Maar fanatieke collega's spelen het tot bij de keizer: "De ketter bedreigt de eenheid." De keizer brengt de ketter ter dood. Martinus walgt ervan. In de resterende zestien jaar van zijn leven - aldus zijn levensbeschrijver - is hij nooit meer naar een bisschoppenconferentie toegegaan.

Tijdens een rondreis door zijn gebied wordt hij getroffen door een hartaanval. Hij is eenentachtig. Zijn einde is nabij en hij roept zijn monniken bij elkaar om hun zijn laatste wens mee te delen: trouw te blijven aan de naastenliefde van Christus en het evangelie. De omstanders jammeren: "Vader, we kunnen nog niet zonder u." Hoezeer de bisschop ook verlangt te sterven, hij verzucht: "God, als U mij nog nodig hebt, non recuso laborem, ik ga het karwei niet uit de weg." Het hoefde niet meer.

Alleen al in Frankrijk zijn er meer dan drieduizend plaatsen die naar Sint Maarten genoemd zijn. In Nederland zijn onder andere aan hem gewijde kerken in Utrecht (domkerk), Groningen (Martinitoren), Zaltbommel, Venlo en natuurlijk Voorburg. Het kerkje waarin men destijds zijn halve mantel ('cappa') als een kostbaar aandenken bewaarde, heette dan ook 'capella': daar komt ons woord kapel vandaan. En de geestelijke die er dienst deed, heette kapelaan. Het stadswapen van Utrecht, halfwit - halfrood, stelt de halve rode mantel van Sint Maarten voor.
[Dries van den Akker s.j./2005.03.25]


Martinus van Tours (Sint Maarten)

'Bericht van boven' KRO Radio 5 zondag 11 november 2007

...speel bestand af...

Je vraagt mij vanuit mijn tijd iets te zeggen waar jij in de 21e eeuw wat aan hebt? Maar, lieve mensen, het is nu het jaar 395 na de geboorte van onze Heer Jezus Christus. Ik heb geen idee wat radio en t.v., computers en technologie voor invloed hebben op je mentaliteit. Ik leef hier met monniken teruggetrokken in de bossen. Ik moet er niet aan denken dat de hele wereld bij je binnenkomt; dat allerlei ijdele mediamensen de hele dag hun berichten en meningen aan je opdringen. Dat de waan van de dag steeds om je heen is. Kom je nog wel aan stilte en bezinning toe?

Neem me niet kwalijk, laat ik mij eerst voorstellen. Mijn naam is Martinus, bisschop van de Frankische stad Tours. Je kent mij beter als Sint Maarten. Je stuurt op mijn feestdag kinderen met lampionnetjes de straat op om zingend langs de deuren te gaan. Daar krijgen ze dan snoepjes voor. Het is goed om mensen tot liefdadigheid aan te zetten. Ikzelf ben mijn loopbaan begonnen door op een ijskoude winterdag mijn soldatenmantel te delen met een arme bedelaar. Wist je dat het stadswapen van mijn stad Utrecht - half wit, half rood - die halve mantel uitbeeldt? Je kent mij ook als de heilige van de Martinitoren in Groningen.

Genoeg over mijzelf. Wat heb ik je te zeggen?

Wij, monniken, besteden veel tijd aan meditatie en gebed. Daarin houden we de persoon van Jezus voor ogen. Hij is ons levensideaal. Wij willen steeds meer op Hem lijken. Daar worden we zelf gelukkiger van en kunnen we anderen gelukkiger mee maken. Dat geloven wij. Als ik dan kijk naar de mensen die bij jullie in de openbaarheid op de voorgrond treden... Zij zéggen dat ze de maatschappij een dienst bewijzen, maar volgens mij bedoelen ze: 'Kijk naar mij!' Ze willen aandacht, zoals kleine kinderen steeds aandacht willen. Als ik luister naar jullie politieke leiders. Ze zéggen dat waarden en normen van belang zijn en misschien menen ze dat wel. Maar als je beter toekijkt, hoor je ze roepen: 'Kies mij! Kies mij!' En om je nog meer zand in de ogen te strooien, noemen sommigen zich 'minister'. Dat betekent 'dienaar'. Maar intussen vinden ze het heerlijk om zich te láten dienen. Misschien doe je zelf wel mee aan die fratsen.

Laat ik je dan vertellen wat mij laatst overkwam, toen ik in gebed was. Plotseling zag ik een majesteitelijke gestalte voor me staan. Hij had een hermelijnen mantel aan, en een kroon op het hoofd. Een rustig, waardig gelaat. De verschijning keek mij met een zachte glimlach aan, en met een oneindig zoete stem sprak hij: 'Martinus, daar ben ik, Christus. Daar heb je nou al die tijd om gebeden. Je gebed is verhoord. Ik ben teruggekeerd op aarde. En omdat jij degene bent die mij de meeste eer brengt, ben ik als eerste naar jou toegekomen. Begroet me maar en breng me je hulde.' Toen zweeg hij. Ik was in verwarring. Zei niets. Daarop herhaalde hij zijn woorden: 'Martinus, daar ben ik Christus! Kijk me eens aan.' Ik keek naar de verschijning op, maar ik wist nog altijd niet wat ik moest zeggen. Voor de derde keer sprak hij: 'Martinus, hoor je me niet?'

Toen wist ik eindelijk wat ik moest zeggen: 'Als mijn Christus op aarde zou verschijnen, dan zou hij niet gekleed gaan in een hermelijnen mantel en Hij zou geen kroon op het hoofd hebben. Hij zou zich niet láten dienen. Hij zou juist komen om óns te dienen. U kunt mijn Christus niet zijn.' Daarop was de verschijning verdwenen, even plotseling als hij was gekomen. Er bleef alleen een stank van pek en zwavel hangen in mijn hut.

Sindsdien leer ik mijn mensen dat ze bij alles wat hun overkomt, moeten vasthouden aan het voorbeeld van Jezus. En dat ze zich niet moeten laten leiden door de waan van de dag. Maar de waan van de dag juist moeten toetsen aan Jezus' voorbeeld.


Martinus van Tours (Sint Maarten: † 397; feest 11 november)
Voor Rond Zending 2007, juli: Thema ‘Kleding’

28

We leven in de dertiger jaren van de 4e eeuw. Het is striemend koud. Een groep Romeinse soldaten keert kleumend terug naar de legerplaats van de Noord-Franse stad Amiens. In de poort zit een vrijwel naakte man, blauw van de kou. Smeekt om een aalmoes. Een van de soldaten, Martinus, kan het niet aanzien, trekt zijn zwaard, haalt met één houw zijn soldatenmantel doormidden en geeft de helft aan de bedelaar. Zijn collega’s en omstanders lachen hem uit. Wie doet nou zoiets? En trouwens, met zo’n halve mantel ziet hij er niet uit! Martinus is geloofsleerling van de nieuwe godsdienst, het christendom.

’s Nachts, toen de mensen sliepen, had Martinus een droom. Hij zag Christus in de hemel, omringd door engelen, nogal gek aangekleed. Hij droeg de halve mantel van de bedelaar en zei tegen de engelen om zich heen: ‘Moet je kijken, Martinus is nog niet eens gedoopt, maar die weet al: wat je geeft aan de minsten, dat geef je aan eigenlijk Mij.’

Vele jaren later wordt Martinus bisschop van de stad Tours. Op een grote christelijke feestdag gaat hij met zijn aartsdiaken naar de kerk om de dag te beginnen met de Heilige Mis. Een bedelaar voegt zich bij hen, en smeekt om een aalmoes. Martinus geeft zijn aartsdiaken opdracht iets te geven. Maar die houdt zich doof, heeft wel iets anders aan zijn hoofd. De kerk moet klaargezet voor de plechtigheid. In de sacristie trekt Martinus zijn bovengewaad uit en geeft het aan de arme man: ‘Maak er een goede prijs voor op de markt.’ Even later steekt de aartsdiaken zijn hoofd om de hoek: ‘U kunt beginnen, bisschop.’ ‘Niet, zolang de arme bedelaar niet is aangekleed.’ Niet beseffend dat de bisschop over zichzelf spreekt, gaat de aartsdiaken met een kwaaie kop naar de markt, koopt voor een habbekrats een onmogelijk geval en gooit dat bij de sacristie naar binnen. Martinus trekt het aan: zijn ellebogen komen er doorheen, en het valt nog niet tot op zijn knieën. In deze kleding draagt hij voor het oog van de gelovigen de plechtige, heilige mis op.

Bronnen
  Al eens onze andere site: www.beeldmeditaties.nl bezocht?

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 26 jul 2016

Een greep uit wat deze website verder te bieden heeft:
VoorwoordLeeswijzerHoe wordt men heilig?VerantwoordingBronnenWoordenboek  
KerstafbeeldingenDe 12 apostelenPausenCitatenTante CatoArchiefTegelsBladwijzersNieuw
Tenslotte: een overzicht van alle hoofd- en submenu's van deze website