Overzicht BM  m Gastenboek m Vertel verder m Contact
Andreas 

        De website met meer dan 5540 heiligen, 4226 voornamen en 8496 afbeeldingen        

WelkomHeiligenMissaalheiligenHeiligenkalenderHeiligen op naamPatronatenVoornamen SJ Meer

† 1942  Edith Stein 


Info afbeeldingen
 Inhoud van deze pagina  Algemeen
De wereld van Edith Stein
Voor AdRem
Tijd maken voor God
Verkiezingen
De kracht van de stilte

Edith (kloosternaam Teresia Benedicta van het Kruis) Stein ocd., Echt, Nederland / Auschwitz, Duitsland; † 1942.
Feest 9 augustus.

Edith Stein werd op 12 oktober 1891 als jongste van zeven kinderen te Breslau geboren, juist de dag dat haar joodse ouders Grote Verzoendag vierden. Haar vader, Siegfried Stein, dreef een verlopen houthandel. Edith was nog geen twee jaar oud, toen hij overleed. Moeder, Augusta Courant, nam de zaak over; omdat ze er niets van wist, moest ze zich eerst inwerken. Naast de zorg voor haar kinderen zag ze kans er met taai doorzettingsvermogen een goed lopende zaak van te maken. Ze nam haar joodse godsdienst uiterst serieus, leefde stipt alle wetten na, ging elke zaterdag naar de synagoge en vergat de armen niet: behoeftige klanten gaf ze soms hun geld terug; houtrestanten spaarde ze zuinig op om er 's winters van weg te kunnen geven.

Als puber zette Edith haar joodse geloof aan de kant. Ze noemde zich atheïst tot verdriet van haar moeder. Hoewel de tweede van de klas, had ze op haar veertiende plotseling geen zin meer in school; dat was Pasen 1906. Ten einde raad stuurde haar moeder haar naar Hamburg; daar was een zus van Edith getrouwd met een dokter. Ze werd er hulp in de huishouding; en dat, terwijl ze uitgesproken onhandig was. Zelf schrijft ze daarover: "Ik vond het helemaal niet moeilijk van huis weg te gaan. Ik verkeerde juist in de periode dat ik het geloof van mijn kindertijd achter me had gelaten; ik verlangde ernaar zelfstandig te zijn; en wilde me het liefst onttrekken aan de eeuwige zorg van mijn moeder en mijn zussen. In Hamburg koos ik ervoor niet meer te bidden. Over mijn toekomst dacht ik al helemaal niet na, maar leefde wel in de stille veronderstelling dat ik voor iets bijzonders was voorbestemd."

Student
Na de grote vakantie pakte ze toch weer de studie op; ze deed op haar negentiende eindexamen, en slaagde met fantastische cijfers. Zoals gebruikelijk had de directeur voor ieder een persoonlijk woordje; bij Edith zei hij - met een woordspeling op haar naam: "Sla op deze Stein, en er springen vonken van wijsheid uit." Nu besloot ze psychologie te studeren aan de universiteit van Breslau. Maar wie er in die dagen bij wilde horen ging naar Göttingen: daar doceerden de knappe koppen van die dagen. Ambitieus als Edith was schreef zij zich er in als student filosofie, psychologie, geschiedenis en Duitse literatuurwetenschap; dat was in 1913. Zij slaagde voor het afsluitende examen aan het eind van de eerste twee jaar met een tien. Intussen stortte zij zich in het studentenleven en mocht de beroemdste professoren tot haar persoonlijke kennissen rekenen, zoals de filosofen Edmund Husserl en Max Scheler. Tot haar vrienden behoorde ook het echtpaar Reinhard; evenals zij van oorsprong joodse mensen; maar zij dachten erover om christen te worden en toe te treden tot de protestantse kerk; daarnaast was zij nauw bevriend met het echtpaar Conrad en Hedwig Martius; zij zouden straks - zonder het zelf te weten - een beslissende rol spelen in Ediths leven.

Na haar examen onderbrak ze voor enige tijd haar studie om als vrijwilliger voor het Rode Kruis oorlogsslachtoffers te verplegen. Toen Husserl in 1916 naar de universiteit van Freiburg verhuisde nam hij haar mee als wetenschappelijk assisitente; daar maakte ze kennis met ze de filosoof Martin Heidegger. In 1917 promoveerde zij op een filosofisch onderwerp, en mocht zij zich dus voortaan 'Frau Doktor' noemen. In datzelfde jaar ontving Frau Reinach het bericht dat haar man, Adolf, op de slagvelden van België gesneuveld was. Zij deed aan Edith het verzoek zijn filosofische geschriften uit te zoeken. Daar ging Edith graag op in, maar zag nogal op tegen de eerste ontmoeting, want hoe moest zij een vertwijfelde en van verdriet gebroken weduwe troosten en ondersteunen? Maar de weduwe bleek in het geheel niet vertwijfeld of gebroken; integendeel, zij droeg haar lijden met grote waardigheid; zij liet zich daarbij - zo legde zij uit - inspireren door haar geloof in Jezus, die aan het kruis ook had moeten lijden. Het maakte diepe indruk op Edith; later zou zij schrijven: "Op dat moment stortte mijn wereld van ongeloof en godsontkenning volledig in."

De waarheid
Intussen werd zij veel gevraagd om overal lezingen en voordrachten te houden over filosofische onderwerpen. Zij stond bekend als een echte wetenschapper, die niet bleef staan bij de buitenkant van de dingen, maar bleef vragen naar de betekenis ervan; met wetenschappelijke objectiviteit en uiterste precisie - zo benadrukken de mensen uit haar omgeving - was zij op zoek naar de waarheid.

In de maand augustus van het jaar 1921 was zij te gast bij Conrad en Hedwig Martius. Op een avond moesten zij weg en lieten Edith alleen achter. Frau Martius toonde haar de bibliotheek: "Kijk maar; het staat allemaal tot je beschikking." Op goed geluk trok ze een boek uit de kast. Het was een levensbeschrijving van een kloosterzuster uit de 16e eeuw, een karmelietes: 'Het leven van de heilige Teresa van Avila op basis van haar eigen geschriften'. Onmiddellijk was ze geboeid. Het begon alweer dag te worden toen ze het uit had: "Nu heb ik de waarheid gevonden." Diezelfde ochtend kocht ze een boekje met uitleg over het Katholieke geloof en een gebedenboek om de mis in de kerk te kunnen volgen. Ze bestudeerde ze met grote aandacht. Toen ze ze uit had, ging ze voor het eerst naar de katholieke kerk, en herkende alles wat ze geleerd had. Na afloop sprak ze de oude priester aan: "Ik wil gedoopt worden." "Maar mevrouw, dat gaat zomaar niet. Daar gaat een tijd van voorbereiding aan vooraf en er is iemand nodig die u begeleidt." "Alstublieft eerwaarde", zei Edith, "vraagt u maar om te zien of ik voldoende voorbereid ben." Aan het eind van dat gesprek besloten ze dat ze op 1 januari van het volgende jaar, 1922, gedoopt zou worden.

Moeder
Ze zag er als een berg tegenop om dit aan haar joodse moeder te vertellen? Ze was bang dat de familie met haar zou breken. "Moeder, ik ben katholiek geworden..." Mevrouw Stein brak in tranen uit. Zo had Edith haar moeder nog nooit gezien: zij was immers altijd de sterke vrouw geweest, die in haar eentje zeven kinderen had grootgebracht en een houtbedrijf gerund. Een half jaar bleef Edith bij haar moeder thuis; ze deed mee met alle joodse praktijken van vasten en bidden, en begeleidde haar moeder naar de synagoge.

Ze verliet Freiburg en het universitaire milieu. Negen jaar lang, van 1922 tot 1931, was ze lerares wetenschappelijke opvoedkunde en Duits aan het Sint-Magdalena-Instituut van de zusters dominicanessen te Speyer (Spiers). Ze stelde hoge eisen aan de kwaliteit van het werk van haar leerlingen en kon er slecht tegen als zij ongemotiveerd bleken. Een studente herinnert zich nog hoe groot de intellectuele afstand was tussen haar docent en de klas: "Maar van de andere kant wist je je volkomen veilig bij haar. In je opstellen kon je de meest persoonlijke dingen aan haar kwijt; zij nam ze serieus en ging er altijd op in; haar uitstraling en die aantekeningen zijn de kostbaarste herinneringen die ik aan die jaren heb."

Niemand wist hoeveel tijd ze in haar persoonlijk leven besteedde aan gebed. Na een kerstnachtdienst bleef zij nog even bidden bij het stalletje. De kosteres merkte haar niet op en sloot haar in. Zo trof zij de vrome vrouw de volgende ochtend nog steeds in gebed; zij had er de hele nacht gezeten. Geschrokken zei ze: "U zult intussen wel moe zijn." "Moe? Bij Hem?"

Het verbaasde niemand meer, toen zij in 1932 te kennen gaf kloosterzuster te willen worden. Haar keuze was gevallen op de karmelietessen, de orde van Teresa van Avila, de zuster van het boek van elf jaar geleden. In augustus van dat jaar ging ze naar Breslau om het nieuws persoonlijk aan haar bejaarde moeder te gaan melden; deze was intussen 84 jaar oud. "Maar wat wil je dan gaan doen bij die zusters?" "Hun leven delen." Moeder snapte er niets van en had er geen goed woord voor over. Edith bleef tot en met haar verjaardag, 12 oktober, de laatste dag van het joodse loofhuttenfeest; ze begeleidde haar moeder trouw naar de synagoge. In een poging moeder nog wat hoop te geven, zei Edith: "Het begint met een proeftijd." Maar moeder antwoordde onmiddellijk: "Ik ken je: als jij aan een proeftijd begint, zul je zorgen dat je erdoor komt ook." Op de terugweg naar huis zei moeder: "Vond je het niet een mooie preek van de rabbi?" "Jazeker, een heel mooie preek." "Nou dan? Dan kun je toch ook op z'n joods vroom zijn?" "Ja, als je niet beter weet..." Wat een feestdag had moeten zijn, waren verschrikkelijke uren. De volgende dag nam ze afscheid en ging naar Keulen. Daar trad zij enige dagen later in bij de Karmelietessen, 15 oktober, feestdag van de heilige Teresa.

Karmelietes
Voor een 42-jarige vrouw die gewend was geweest om te gaan met beroemde mensen van haar tijd kon de overgang niet groter zijn. Van de ene dag op de andere was zijn van een hoge eisen stellende docente veranderd in de jongste, onopvallende novice, beginneling. Zij moest leren het gewone leven van de zusters te delen. Naast de uren van gebed, die zij heerlijk vond, betekende dat ook dat zij allerhande huishoudelijk werk moest verrichten, zoals wassen, koken en strijken. Haar novicemeesteres schrijft erover: "Zij was zo onhandig en onbeholpen dat je je schaamde als je ernaar keek." Maar zijzelf noemde het een heel geschikte oefening in eenvoud en bescheidenheid.

Nazi's
Op 15 juli 1934, bij haar inkleding, koos ze de naam van zuster Teresia Benedicta van het Kruis. Teresia naar de heilige schrijfster van het boek; 'benedicta' betekent 'gezegend'; 'a cruce': 'door het kruis'. Dat laatste was natuurlijk een verwijzing naar de weduwe van 1917... Tegelijk was het ook een profetische naam. Intussen waren in Duitsland de nazi's de baas geworden in Duitsland. Dat betekende voor de joden niet veel goeds. Hoewel de jodin Edith intussen de katholieke zuster Benedicta geworden was, voelde zij zich verwant met haar joodse volksgenoten, en deelde zij in hun ongerustheid en verdriet. Ook in dat van haar moeder, die haar dochter niet kon volgen, daar veel pijn aan had, maar toch het contact niet verbrak; ze kwam zelfs een keer kijken, hoe ze daar achter die tralies leefde. En moest constateren dat haar dochter een gelukkige indruk maakte. Moeder stierf op 14 september 1935.

Zo leidde Zuster Benedicta haar verborgen leven van studie en gebed in de Keulse carmel. Op 9 november 1938 woedde de 'Kristallnacht' in Duitsland; de woede van de nazi's ontlaadde zich over heel Duitsland tegen de joodse bezettingen. Zij schreef: "De schaduw van het kruis valt ook over mijn volk." Ook voor zuster Benedicta werd het te gevaarlijk in Keulen. Op oudejaarsavond werd zij overgebracht naar de carmel in de Limburgse plaats Echt, vlak over de grens met Nederland. Anderhalf jaar later vielen de Duitsers Nederland binnen, zodat de dreiging weer onverminderd aanwezig was. In datzelfde jaar kwam Ediths zus Rosa naar de carmel. Ze was intussen ook katholiek geworden, maar wilde niet intreden. De zusters gaven haar de functie van portierster.

Intussen werden ook vanuit Nederland joden gedeporteerd naar Duitsland. Onder aanvoering van de bisschoppen stuurden de Nederlandse katholieken op 11 juli 1942 een telegram naar de Duitse Generaal Christiansen in Den Haag, waarin ze hun afschuw uitspraken over de jodenvervolging. De Duitse bezetters dreigden dat ze ook de katholieken van joodse oorsprong zouden arresteren en wegvoeren, als de bisschoppen doorgingen met hun acties tegen de jodendeportaties. In weerwil daarvan lieten de bisschoppen op zondag 26 juli in alle katholieke kerken van Nederland een brief voorlezen, waarin ze hun afkeuring met betrekking tot de jodenvervolging herhaalden. Op 2 augustus stonden er 's middags om vijf uur twee SS-officieren voor de deur van het carmelklooster in Echt met het bevel dat zuster Benedicta en haar zus Rosa binnen vijf minuten hun spullen gepakt moeste hebben en mee moesten. Moeder overste kwam toegesneld: "Dat gaat zomaar niet." "Dan krijgt u tien minuten, maar geen minuut meer. Geef haar een deken, een lepel en voedsel voor drie dagen mee. Opschieten. We hebben haast." Tegenstribbelen had verder geen enkele zin. Zuster Benedicta nam haar zus Rosa bij de arm: "Kom, laten we gaan voor ons volk."

De laatste week
De volgende dag zaten ze in het concentratiekamp van Westerbork in Drente. Vandaar vertrokken de treinen naar de concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland en Polen. Op 6 augustus heeft ze nog een kort briefje geschreven naar Echt: ze vraagt er om een paar kleine dingetje en voegt eraan toe: "Geloof het of niet, maar ik kan hier bidden in alle rust." Ooggetuigen vertellen dat zij temidden van alle chaos de rust zelve was: "In het opvangkamp hoorde je overal huilen, en onder degenen die net aangekomen waren, heerste een onbeschrijflijke chaos. Zuster Benedicta hield zich bezig met de vrouwen: zij hielp en troostte, waar ze maar kon. Ze was een toonbeeld van kalmte, ze leek haast wel een engel. Vele moeders waren zo'n beetje de waanzin nabij, en zaten zo apathisch voor zich uit te staren dat ze zelfs hun kinderen vergaten. Zuster Benedicta ontfermde zich over die kleintjes, ze hielp ze bij het wassen en kamde hun haren; zorgde dat ze wat te eten kregen en dat er op hen gelet werd. De dagen dat ze in het kamp zat, zag je haar almaar bezig met zorgen en schoonmaken; de mensen stonden er versteld van." Tot zover een overlevende. En dan te bedenken dat deze vrouw ooit de onhandigheid was in eigen persoon!

Op 7 augustus ' s morgens om half vier zette de trein zich in beweging naar het oosten. De gevangenen stonden samen geperst in veewagens. Twee dagen later kwam het transport aan in vernietigingskamp Auschwitz. Men weet dat de gevangenen meteen werden doorgestuurd naar de gaskamers. Onder hen zuster Teresia Benedicta a Cruce, Edith Stein, 50 jaar oud. In 1939 had zij geschreven dat zij met liefde offers van pijn, verdriet en lijden wilde brengen, als daarmee de wereldvrede kon worden bewaard." De offers heeft zij gebracht...

Zij werd in 1987 door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift september 2007

De wereld van Edith Stein

Op de hoek van de Kardinaal Fringsstrasse  en de St-Gereonstrasse in Keulen, vlakbij het kerkje van Maria Ablass, staat sinds 1999 een gedenkteken voor Edith Stein. Het is gemaakt door de Düsseldorfer beeldhouwer Bert Gerresheim en draagt als titel ‘Gruppenbild einer Heiligen’ (groepsfoto van een heilige vrouw). Die titel is zeer juist gekozen. Want we zien er Edith Sein drie keer afgebeeld. Eerst als peinzend zittende jonge vrouw met een Davidsster op schoot. Dat beeld duidt op haar joodse afkomst. Vervolgens als staande vrouw met gespleten hoofd. Dat duidt op de innerlijke strijd die zij als jong volwassene heeft uitgevochten. Zijzelf zou zeggen dat het de periode in haar leven was waarin ze als getalenteerde studente filosofie en jonge wetenschapper gepassioneerd op zoek was naar de waarheid. Vervolgens zien we haar staande als karmelietes; zij houdt het kruisbeeld vóór zich naar de toeschouwer toegewend. Verwijzing naar de kloosternaam die zij koos ‘Benedicta a Cruce’ (gezegend door het kruis). Dat is de derde periode in haar leven. Hoe deze periode eindigt, wordt ook nog door het beeldhouwwerk getoond, want voor haar voeten ontrolt zich een pad waarop afdrukken van kampnummers en vele voeten staan. Ze leiden naar een grote berg schoenen… Auschwitz. Daar was zij terug bij haar volk. Maar als een ander mens, als een Jezus.

Op 9 augustus 1942 wordt zij het slachtoffer van de jodenhaat van de nazi’s. Hoevelen zouden er nog volgen? Hoevelen waren haar al voorafgegaan. Een week eerder was zij door nazi’s uit de Karmel van Echt in het Nederlandse Limburg weggehaald. Daarmee hielden de nazi’s zich aan hun dreigement. Als de Nederlandse bisschoppen niet ophielden te ageren tegen de jodenvervolging, zouden de nazi’s ook katholieke joden gaan oppakken. De Nederlandse bisschoppen hielden niet op, en lieten op 26 juli in alle kerken van Nederland een herderlijke brief voorlezen die waarschuwde voor het kwaad van de nazi-praktijken. Die brief werd zuster Benedicta in Echt noodlottig. Niet alleen haar, ook haar zus Rosa, die eveneens katholiek geworden was en als permanente gast in het klooster woonde. Vier jaar eerder waren ze Nazi-Duitsland ontvlucht. Er was geen ontkomen aan.

Zuster Benedicta moet het hebben zien aankomen. Toen zij op 15 april 1934 als tweeënveertigjarige vrouw officieel in de Karmel van Keulen werd opgenomen en ingekleed, koos zij de naam Teresia Benedicta a Cruce, Theresia gezegend door het Kruis. Zij koos bewust ervoor, toen al, het lijden van haar volk, het joodse volk, mee te dragen. Maar dan in het licht van Christus’ Kruis. Op dat moment leefde haar moeder nog. Een overtuigde vurige jodin, vierentachtig jaar oud. Zij had de stap van haar dochter naar het katholieke geloof, nu ruim tien jaar geleden, al niet kunnen volgen. Laat staan de intrede in het klooster. Het afscheid was pijnlijk geweest. Gelukkig heeft moeder de deportaties niet meer mee hoeven maken. Zij stierf in 1938.

Op het moment van haar intrede in de Karmel was Edith Stein een gewaardeerd filosofe. Zij had overal in het land lezingen en voordrachten gegeven. Daarvóór was ze enige jaren lerares geweest aan de middelbare meisjesschool van de zusters dominicanessen te Speyer (Spiers). Ze heeft Protestantse vrienden onder haar collega’s en studiegenoten. Zij logeert er, terwijl haar gastvrouw en gastheer  voor een sociale verplichting een nacht weg zijn. Met een wijds gebaar wijzen ze op hun boekenkast: ‘Als je iets wilt lezen, ga je gang maar. Alles staat tot je beschikking.’ Ze trekt een boek van Teresia van Ávila uit de kast, een autobiografie. Ze begint te lezen en houdt niet eerder op, voordat ze het uit heeft. Het is intussen dag geworden. Ze slaat het boek dicht en verzucht: ‘Dit is de waarheid.’ Ze koopt een catechismus en een missaal. Ze studeert erop. Na een paar weken gaat ze ’s morgens in de katholieke kerk naar de mis. Alles is haar vertrouwd. Na afloop meldt ze zich bij de pastoor: ‘Ik wil gedoopt worden.’ Maar mevrouw, daar gaat een hele periode van onderricht en voorbereiding aan vooraf.’ ‘Wilt u zo goed zijn mij aan een zorgvuldig onderzoek te onderwerpen.’ Het is winter 1921. Haar doop wordt vastgesteld op 1 januari 1922.

Ze had, zoals dat heette, Germanistik (Duitse taal- en cultuurgeschiedenis) gestudeerd. In 1917 was ze gepromoveerd tot doctor in de filosofie bij de beroemde Duitse filosoof Edmund Husserl. Hij was een zogeheten Fenomenoloog. Hij hield zich bezig met de vraag of wij mensen wel in staat waren de werkelijkheid waarin wij leefden echt te leren kennen en doorgronden. Hij meende dat geen mens daar uiteindelijk toe in staat was. Je bleef op de een of andere manier altijd aan de buitenkant staan. Erin doordringen was onmogelijk. Dat waren vragen waar Edith als jonge studente warm voor liep. Husserl doceerde in Freiburg. Toen Edith besloot vanuit haar geboortestad Breslau daarheen te gaan, plaagden haar studievriendinnen haar met het rijmpje: ‘Gewone meisjes denken aan Busserl (‘kusjes’), maar Edith denkt aan Husserl’ En inderdaad. Als je foto’s van haar ziet, is het altijd een ernstig gezicht dat je aankijkt. Zelfs als het glimlacht, is het uiterst serieus en dwingt het meteen respect af. Het is de periode in haar leven dat ze op zoek is naar de waarheid, zoals ze zelf zegt.

In 1916 doet ze korte tijd dienst als vrijwilligster bij het Rode Kruis. In de verte rommelt de Eerste Wereldoorlog. Die maakt ook slachtoffers in haar kennissenkring en slaat de eerste bressen in haar atheïstische levensopvatting. Zelf schat ze dat ze rond haar veertiende het innerlijk contact met haar joodse achtergrond verloren moet hebben. Ze was op school een teruggetrokken leerling geweest. Serieus. Dacht over alles diep na. Dieper dan haar leeftijdgenoten. Bij de uitreiking van haar eindexamen op het gymnasium had de rector aan elke leerling een persoonlijk woordje gewijd. Bij Edith had hij een woordspeling op haar achternaam gemaakt: ‘Als je tegen deze steen slaat, spatten de vonken eraf.’ Dat sloeg op haar intelligentie en scherpzinnigheid. Dat was in 1915.

Dat ze naar het  plaatselijke gymnasium van Breslau kon en vervolgens de kans kreeg op de universiteit te studeren, had ze niet in het minst aan haar moeder te danken. Vader was al overleden, toen zij, Edith, nog maar twee was. Moeder was achtergebleven met zeven kinderen (Edith was de jongste) en een noodlijdend houtbedrijf . Maar juist als de sterke vrouw uit het boek van de Wijsheid zette moeder haar schouders eronder. Ze wás er voor haar kinderen. Daarnaast nam ze voortvarend de leiding van de zaak op zich, en maakte er een winstgevend bedrijf van. Dat alles vanuit een sterk joods geloof. Ze bezocht met grote trouw de synagoge, en hield zich met overtuiging aan alle gebeden en gebruiken.

Dat is de wereld waarin Edith Stein uitgroeit tot Zuster Benedicta a Cruce. Een wereld getekend door het jodendom. Vanwege haar eigen afkomst, én vanwege de jodenhaat van het Derde Rijk. Een wereld van filosofen, denkers, serieuze mensen van wie de meesten weinig of niets op hebben met het katholieke geloof. Een wereld die juist begint  vóór de Eerste Wereldoorlog en zal eindigen in de Tweede.

*

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift oktober 2007

Jeugdidealen van Edith Stein

Roeping maakt gebruik van mensen uit je omgeving en bouwt voort op bestaande idealen. Misschien is wel het meest opvallende feit in het leven van Edih Stein dat de overtuigde joodse levenshouding van haar moeder geen rol lijkt te spelen in haar persoonlijke ontwikkeling. Ze hield zielsveel van haar moeder. Als jongste van de kinderen nam ze ook bij haar moeder een bijzondere plaats in. Edith is zich haar leven lang bewust geweest toe te behoren aan het joodse volk. Maar over de inhoud van de godsdienst en de invloed ervan op je levenshouding, haar je haar zelden of nooit.

Als jongste had ze de drang bij de oudere kinderen te mogen horen. Tevergeefs heeft ze geprobeerd eerder naar school te mogen dan haar leeftijd destijds toestond: zes jaar. Eenmaal op school, bleek ze ambitieus en behoorde ze steevast tot de besten van de klas. Des te opvallender dat ze op haar veertiende nergens meer zin in heeft. Moeder besluit haat toe te vertrouwen aan haar inmiddels getrouwde oudste zus in Hamburg.Zelf schrijft ze later: “Ik vond het niet moeilijk van huis weg te gaan. Het was de tijd dat ik mijn kinderlijk geloof verloor en me begon te onttrekken aan de betutteling van moeder en broers-en-zussen. In Hamburg heb ik geheel vrijwillig en heel bewust het bidden achterwege gelaten. Over de vraag hoe mijn toekomst eruit moest zien dacht ik in het geheel niet na. Maar wel had ik het gevoel dat ik voor iets groots bestemd was.” Wij zouden dat nu normale puberverschijnselen noemen. Welgemoed pakt ze draad van de studie weer op.

Daarin lag voortaan haar grootste passie. Studeren. Dingen doorgronden. Aanvankelijk studeerde ze aan de universiteit van haar geboorteplaats Breslau germanistiek, geschiedenis en psychologie. Ze vroeg haar docent een onderwerp voor een eindscriptie. Hij stelde voor ‘De groei van het kinderverstand, op basis van interviews en foto’s van kinderen’. Toen wist ze: dit wil ik niet. Dan moet ik mij telkens opnieuw afvragen of psychologie wetenschap is en of mijn waarnemingen wetenschappelijk verantwoord zijn. Hoe dring je door tot het wezen der dingen? Waar is de waarheid, de echte waarheid te vinden? Later zal Edith van haar studiejaren zeggen: ‘Het zoeken naar de waarheid was – achteraf gezien – één gebed.’

Het was de tijd van Edmund Husserl, filosoof in de fenomenologie. Hij hield zich precies bezig met de vraag hoe je tot kennis van de dingen en de werkelijkheid kon komen. Dat sprak Edith aan. In tegenstelling tot eerdere stromingen meende hij dat je wel degelijk tot de kern van de werkelijkheid kon doordringen, gewoon door waar te nemen en je gezond verstand te gebruiken. Hij noemde zich een ‘Alltagsphilosoph’, een ‘huis-tuin-en-keukenfilosoof’. Hij doceerde in Göttingen. Dus verhuisde Edith naar Göttingen. Ze wist dat ze haar moeder groot verdriet deed door van huis weg te gaan. Toch koos ze ervoor. In dit moment ligt misschien wel de ommekeer in Ediths leven besloten. Niet moeder, maar filosofie en studie.

Ze genoot van de colleges en de huiskamergesprekken in kleine kring bij professor Husserl. Ze werd zijn eerste assistente. Ze deed nieuwe kennissen op. Er werd over politiek gepraat, waarbij Edith zich ontpopte als feministe. Ze kwam in aanraking met Husserls vrienden, kennissen en collega’s. Onder hen bevonden zich belijdende protestanten. Ook de katholieke filosoof Max Scheler, die herhaaldelijk werd uitgenodigd om gastcolleges te geven. Zijn invloed zou voor Edith verstrekkende gevolgen hebben. Zelf schrijft ze: “Ik weet niet in welk jaar Max Scheler teruggekeerd is naar de katholieke kerk. Het moet kort tevoren geweest zijn. In ieder geval was hij toen vol van het katholieke gedachtegoed. Met de hem eigen intellectuele gloed en overtuigingskracht wist hij anderen voor zijn ideeën enthousiast te maken. Dat was mijn eerste kennismaking met een wereld die mij tot op dat moment volkomen onbekend was gebleven. Niet dat ik gelovig werd. Maar ze opende een terrein van ‘fenomenen’, verschijnselen, waar ik niet meer aan voorbij kon. Niet voor niets werd ons steeds voorgehouden dat we de dingen zonder vooroordelen op ons af moesten laten komen, dat we alle oogkleppen moesten afwerpen. Ik was opgegroeid in een rationalistische denkwereld met alle beperkingen en vooroordelen van dien. En nu ging plotseling de wereld van het geloof voor mij open. Mensen met wie ik dagelijks omging en tegen wie ik met bewondering opkeek, bleken daarin te leven. Dat moest dan toch minstens de moeite van het denken waard zijn. Niet dat ik meteen op systematische manier over geloofsvragen begon na te denken. Daar was ik nog te afhankelijk voor van anderen. Ik volstond ermee de prikkels van buiten eenvoudig in mij op te nemen. Op die manier werd ik – eigenlijk zonder dat ik het zelf in de gaten had – omgevormd.”

*

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift november 2007

Edith Stein: De Stem van God herkend

Roeping maakt gebruik van menselijke middelen: omstandigheden en ‘toevallige’ gebeurtenissen, uitlatingen van mensen om je heen. Zo zagen we in de vorige afleveringen. Vergeten we niet dat aan de uiterlijke omstandigheden altijd een innerlijke registratie beantwoord. Je vraagt je af wat het met je doet. Wat betekenen de gevoelens die opgeroepen worden? Mogelijk komt er een moment dat dit alles wordt herkend als Signaal van God.

We herinneren ons hoe haar joodse afkomst Ediths hart niet geraakt schijnt  te hebben in weerwil van de aanstekelijke levenshouding van haar moeder. Hoe Edith Stein zichzelf aan het begin van haar filosofische carrière zag als een overtuigd atheïste. Hoe zij op zoek was naar de Waarheid. Hoe zij - als leerlinge en assistente van de grote filosoof Edmund Husserl - zich bezighield met de vraag of het mogelijk was de wereld om je heen echt te leren kennen. Zij schreef een proefschrift over ‘empathie’ (invoelingsvermogen); zij slaagde met de hoogste lof (summa cum laude).  Hoe allerlei signalen van christengelovigen uit haar directe omgeving haar bereikten, maar nog niet tot haar doordrongen. Wel bereidden ze haar – achteraf gezien – voor op de doorbraak van Gods stem.

Die kwam in november 1917: Eerste Wereldoorlog.  Een jonge collega uit de groep rond Husserl, Adolf Reinach, was onder de wapenen geroepen om in Vlaanderen aan het front mee te vechten. Spoedig daarna kwam het bericht dat hij gesneuveld was. Professor Husserl wilde dat zijn assistente vanuit Freiburg naar de begrafenis in Göttingen ging. Bovendien had Frau Reinach om iemand gevraagd die de aantekeningen van haar man kon ordenen. Edith leek daartoe de aangewezen persoon. Zij zag er tegenop als tegen een berg. Zij kende de Reinachs als een stralend jong paar, nog maar net getrouwd; ze hadden zich nog geen jaar geleden laten dopen in de Lutherse Kerk. Zij hadden lang geaarzeld of ze niet meteen katholiek zouden worden, maar daar waren ze nog niet aan toe geweest. (Overigens zou Frau Reinach enige jaren later de overstap naar de Katholieke Kerk alsnog maken). Dat alles had Edith van nabij - maar innerlijk op enige afstand - meegemaakt. En zou zij nu terug moeten naar Göttingen om een wanhopig verdrietige, jonge weduwe terzijde te staan? Wat zou zij moeten zeggen? Ze zou met haar houding geen raad weten. Hoe kon de professor zoiets van haar vragen?

Hoe anders bleek alles te zijn. Edith trof in het geheel geen gebroken weduwe. Integendeel. Inderdaad, even waren er bij Frau Reinach de pijn en ontreddering geweest. Maar vervolgens had zij zich in geloof gerealiseerd dat haar geliefde man naar de vrede van de Heer was overgegaan, en dat nu van haar zou worden gevraagd het verlies waardig te dragen en haar aandeel op zich te nemen in het Kruis van de Heer. Dit besef gaf haar diepe vrede. Die straalde van haar af op alle mensen die haar kwamen troosten. Er stond helemaal geen wrak,  maar een sterke, moedige vrouw, een toonbeeld van Godsliefde. Het waren niet zozeer de vrienden die háár troost boden, eerder andersom: zíj was een troost voor al degenen die bij haar kwamen. Ook voor Edith; die raakte er diep van onder de indruk. Zij sprak er nog over met de Nederlandse jezuïet Pater Nota vlak voor haar eigen dood, vijfentwintig jaar later. Zij schrijft: “Dit was mijn eerste ontmoeting met het kruis en de goddelijke kracht die ervan uitgaat voor degenen die het moeten dragen. Voor de eerste keer zag ik vlak voor mijn neus hoe uit het lijden van Christus de Kerk geboren wordt en haar overwinning op de prikkel van de dood. Op dat ogenblik stortte mijn ongelovige levenshouding volkomen  in, het jodendom verbleekte en Christus kwam stralend te voorschijn. Christus in het geheim van zijn Kruis.”

Het tweede, definitieve moment volgt vier jaar later. Een andere vriendin, Hedwig Conrad-Martius heeft een boerderij in Bad Bergzabern (gelegen aan de huidige Weinstrasse, ca 35 km ten westen van Karlsruhe), en nodigt Edith in augustus 1921 uit er een stuk van de vakantie te komen doorbrengen. Op een avond moeten haar gastheer en gastvrouw zelf een bezoekje afleggen. Met een breed gebaar stellen ze haar hun bibliotheek ter beschikking: “Zoek maar iets uit.” Edith schrijft later zelf: “Op goed geluk trok ik een boek uit de kast. Het heette ‘Het leven van de heilige Teresa van Ávila’, door haarzelf geschreven. Ik begon het onmiddellijk te lezen, was meteen geboeid en hield niet meer op voor ik het uithad. Toen ik het dichtdeed, zei ik tegen mezelf: ‘Dit is de waarheid.’” Het was intussen ochtend geworden.

Diezelfde morgen koopt ze in de stad twee boeken: een katechismus, en een missaal. Ze neemt ze de dagen daarna aandachtig door. Vervolgens gaat ze - nog altijd in Bad Bergzabern – naar de kerk en woont er de mis bij. Ze schrijft: “Niets was mij vreemd of onbekend. Dankzij de studie van de afgelopen tijd kon ik alle ceremonies verstaan tot in de kleinste details. Een eerbiedwaardige oude priester vierde waardig het Heilig Misoffer met innerlijke overtuiging. Na de mis wachtte ik tot de priester klaar was met zijn dankgebed. Ik volgde hem naar de pastorie en vroeg hem kortweg om gedoopt te worden. Verwonderd keek hij mij aan en zei dat de opname in de Kerk altijd enige voorbereidingstijd vergde: ‘Hoe lang volgt u al geloofsonderricht? En bij wie?’ Ik kon alleen maar zeggen: ‘Alstublieft eerwaarde, overhoort u me maar.’”

Enkele maanden later, 1 januari 1922, wordt Edith door diezelfde priester in Bad Bergzabern gedoopt. Haar vriendin Hedwig Conrad-Martius is meter. Als doopnamen kiest Edith: Theresia Hedwig. Een maand later wordt ze door de bisschop van Spiers in diens huiskapel gevormd. Edith is een gelukkige vrouw. Maar…

Hoe moet ze dit alles duidelijk maken aan haar moeder?

*

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift december 2007/januari 2008

Waartoe roept God me op?

Wie zich geroepen weet, zal ondervinden dat je op bepaalde punten moet breken met het verleden. Zo begint het verhaal van aartsvader Abraham: ‘En God sprak tot Abram: ‘Trek weg uit uw land, uw stam en uw ouderlijk huis, naar het land dat Ik u nog zal wijzen’ (Genesis 12,01-04). Dit roepingsgegeven is in het leven van Edith duidelijk te herkennen. Na haar doop rijpte in haar het verlangen om het klooster in te gaan. Dat nam ruimt tien jaar in beslag. Haar keus viel uiteindelijk op de Karmel in Keulen. Ze besefte dat ze haar overtuigd joodse moeder een groot verdriet deed met deze levenskeuze.

Half augustus 1933 gaat Edith naar haar ouderlijk huis in Breslau om haar moeder te vertellen dat ze in zal treden bij de Karmelietessen te Keulen. In een brief uit 1938 doet ze er zelf verslag van.

We zien broers, zussen en vriendinnen voorbijkomen. Else, Erika, Erna, Frieda, Rosa, een niet met name genoemde broer. Laten we er tevreden mee zijn hun namen te horen, zonder precies te weten wie zij zijn, juist zoals wanneer je ergens voor het eerst op visite bent. Voor de samenhang is het goed te weten dat Rosa ook katholiek is geworden, en later als gast in dezelfde Karmel woonde als Edith. Ze is ook samen met haar vanuit Echt afgevoerd en - naar men aanneemt – in Auschwitz omgekomen.

‘De eerste zondag van september was ik met mijn moeder alleen thuis. Ze zat met haar handwerkje aan het raam; ik zat dicht tegen haar aan. Eindelijk kwam dan de vraag die ik al zo lang verwacht had: “Wat ga je bij die zusters in Keulen doen?” “Met hen samenleven.” Toen kwam er een wanhopige afweerreactie. Mijn moeder bleef druk bezig. De knot wol raakte in de klit, ze probeerde het met trillende handen weer goed te krijgen en ik hielp erbij; intussen ging ons gesprek verder.

Vanaf dat moment was de vredige stemming weg. Er lag een druk op het huis. Zo nu en dan waagde mijn moeder een nieuwe aanval. Dan volgde weer stille wanhoop. Mijn nichtje Erika, de meest strenge joodse gelovige van de familie, beschouwde het ook als haar plicht om op mij in te praten. Mijn zusjes probeerden het niet; zij meenden dat het toch niets uit zou halen. Nog moeilijker werd het, toen mijn zus Else met de trein uit Hamburg arriveerde voor moeders verjaardag. Waar mijn moeder zich in mijn bijzijn wist te beheersen, raakte ze in het gesprek met Else volkomen overstuur. Else bracht dat dan weer aan mij over: ze ging er van uit dat ik niet wist wat er in mijn moeder omging.

De laatste dag dat ik thuis was, was de 12e oktober, mijn verjaardag. Het was ook een joodse feestdag, de afsluiting van het Loofhuttenfeest. Mijn moeder ging naar de dienst in de synagoge van de rabbijnenschool. Ik ging met haar mee, omdat ze deze dag het liefste samen wilde doorbrengen. Erika’s lievelingsleraar, een belangrijke geleerde, hield een mooie preek. Op de heenweg in de tram hadden we niet veel gezegd. Om nog een beetje te troosten zei ik dat de eerste tijd alleen nog maar een proeftijd was. Maar dat hielp niets: “Als jij aan een proeftijd begint, weet ik best dat je daar glansrijk doorheen zult komen.” Nu wilde mijn moeder met alle geweld lopend naar huis. Driekwartier, en vierentachtig jaar! Maar ik kon het niet tegenhouden, want ik had best in de gaten dat ze nog alleen met mij praten wilde.

“Vond je de preek niet mooi?” ”Jawel.” “Dus je kunt ook joods vroom zijn?” “Natuurlijk – zolang je niet weet dat er ook iets anders is.” Nu klonk het wanhopig: “Waarom ben je ermee in aanraking gekomen? Ik heb niets tegen hem. Hij mag dan een goed mens geweest zijn, maar waarom heeft hij zich God gemaakt?”

Na tafel ging ze de zaak in, zodat mijn zus Frieda niet alleen zat bij de maaltijd van mijn broer. Ze beloofde snel terug te zijn, en dat deed ze ook. (Dat deed ze echt voor mij, want anders was ze altijd het liefste in de zaak). ’s Middags en ’s avonds kwamen er veel gasten, mijn broers en zussen met al hun kinderen, en mijn vriendinnen. Dat was goed, want het leidde de aandacht een beetje af. Maar het werd moeilijk, toen de een na de ander afscheid nam en vertrok. Tenslotte waren alleen mijn moeder en ik nog over in de kamer. Mijn zussen waren nog bezig met de afwas en het wegzetten. Toen verborg ze haar gezicht in haar handen en begon te huilen. Ik ging achter haar stoel staan en leunde haar zilveren hoofd tegen mijn borst. Dat duurde zo een hele tijd, tot ze zich uiteindelijk liet overhalen om naar bed te gaan. Ik bracht haar naar boven en hielp haar bij het uitkleden – voor het eerst in mijn leven. Ik bleef nog wat op de rand van haar bed zitten tot ze zei dat ik ook moest gaan slapen. Die nacht hebben we allebei geen oog dicht gedaan.

Mijn trein ging ’s morgens vroeg om een uur of acht. Else en Rosa wilden mij naar de trein brengen. Erna had ook graag naar het station willen komen. Maar ik verzocht haar liever vroeg naar ons huis te komen om mijn moeder gezelschap te houden. Ik wist dat zij zich door haar het eerste op haar gemak zou laten stellen. Wij waren de twee jongsten, en hadden tegenover moeder altijd iets van de lieve kleine dochters behouden. De ouderen waren daar wat geslotener in, hoewel zij in liefde zeker niet voor ons onder deden.

Om half zes ging ik zoals altijd de deur uit om de vroegmis bij te wonen in de Michaëlskerk. We troffen elkaar weer aan het ontbijt. Erna kwam rond zevenen. Mijn moeder probeerde iets naar binnen te krijgen, maar meteen schoof ze haar kopje van zich af en begon weer te huilen net als de vorige avond. Ik ging weer naar haar toe en sloeg mijn armen om haar heen tot het tijd was om te gaan. Ik gaf Erna een teken dat zij het van mij moest overnemen. Ik legde mijn hoed en mantel in de kamer ernaast klaar. Toen kwam het afscheid. Mijn moeder omhelsde en kuste me meer dan hartelijk. Erika bedankte me voor alle hulp. (Ik had met haar gewerkt aan haar lerarenexamen. Toen ik mijn koffer aan het pakken was, kwam ze met haar vragen). Tot slot zei ze nog: “De Eeuwige moge je bijstaan.” Toen ik Erna omarmde, begon mijn moeder nog harder te huilen. Ik ging snel naar buiten. Rosa en Else kwamen mee. Toen de tram voor ons huis voorbijreed, stond er niemand aan het raam, om – zoals anders altijd – nog voor één keer gedag te zwaaien.

Op het station moesten we nog even wachten voor de trein binnenkwam. Else klampte zich aan me vast. Toen ik een plekje had gevonden en beneden naar mijn zussen keek, trof mij hoe verschillend ze waren. Rosa was rustig alsof ze met mij de vrede van het klooster binnenging, terwijl Elsa er met haar verdriet plotseling uitzag als een oude vrouw. Eindelijk zette de trein zich in beweging. De twee bleven zwaaien zolang er nog een glimp te zien was. Tenslotte waren ook zij verdwenen. Nu kon ik mij op mijn plekje in de coupé terugtrekken. Wat ik nooit had durven dromen was nu echt waar. Nee, ik werd niet overweldigd door vreugde. Daarvoor was alles wat achter me lag te erg. Maar ik voelde me diep in vrede – in de haven van de goddelijke wil.’

*

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift februari 2008

Edith Stein: Nieuw Begin en Groei

In de vorige aflevering hebben we gezien hoe de keuze voor het katholieke geloof een breuk teweeg bracht met Ediths familie, vooral met haar moeder. We lazen met Edith mee die zelf het afscheid van thuis beschreef, vlak voor haar intrede in de Karmel van Keulen. Tien jaar eerder was ze naar huis gegaan om te zeggen dat ze katholiek was geworden. Zo had ze het gezegd, in alle eenvoud: ‘Moeder, ik ben katholiek geworden.’ Haar moeder die overtuigd jodin was, die de failliete zaak van haar gestorven man weer tot bloei had gebracht, en die een toonbeeld was van de sterke vrouw uit de bijbel: die moeder had niets gezegd; tranen van machteloos verdriet liepen haar over de wangen. Zo had Edith haar moeder nog nooit gezien: zo verslagen. Haar broers en zussen en haar vroegere vriendinnen hadden veeleer verbijsterd gereageerd. Zij kenden het katholiek geloof vooral als een magisch geheel van rituelen en prelaten, goed als houvast voor mensen uit de onderste lagen van de maatschappij. En dat hun intelligente zus zich daarmee inliet…? Een half jaar bleef zij thuis in Breslau, en hield haar moeder gezelschap, ook als deze naar de synagoge ging.

Hoe verder? Haar nieuwe levenskeuze maakte alles anders. Het was alsof op al haar vroegere bezigheden, al haar vroegere contacten een nieuw licht geworpen was, alsof zijzelf een soort nieuwe geboorte had doorgemaakt, die erom vroeg alle vertrouwde dingen van vroeger in het nieuwe licht te bezien. Daar was op de eerste plaats het universitaire milieu; het stond haar nu tegen. Het liefst was ze meteen ergens in een klooster getreden, maar een bevriende priester hield haar ervan af. Enerzijds omdat hij meende dat er voor Edith een andere toekomst was weggelegd: zij zou van onschatbare waarde zijn in het wetenschappelijk milieu. Anderzijds moest Edith de tijd krijgen te wennen aan en in te groeien in de katholieke sfeer.

Hij vond voor haar een betrekking op een middelbare meisjesschool te Spiers, geleid door zusters dominicanessen. Ze kreeg een kamertje in het klooster, en gaf les in Duitse taal en cultuur aan de meisjes. Ze deed alle godsdienstoefeningen van het getijdengebed met de zusters mee, sterker, zij was steevast als eerste aanwezig in de kapel, had er haarvaste plekje, waar men haar vaak op intense wijze zag bidden. Overdag gaf ze haar lessen en bereidde de meisjes voor op de examens. De berichten daarover zijn tegenstrijdig. Enerzijds was zij attent, wist altijd precies met welke kleine attenties zij iemand een plezier kon doen. Bovendien was zij soms geestig. Zoals die keer dat zij met meisjes buiten een toneelstuk doornam waarin de pathetische zin voorkwam: ‘Volk van vernietiging, ik zal je de ondergang bezorgen…’ Op dat moment waren ze aangevallen door een zwerm muggen, niet te harden: de meisjes zagen hoe zij oprees en plechtig sprak: ‘Volk van vernietiging, ik zal je de ondergang bezorgen!” Anderzijds schiep zij door haar kennis, haar serieuze levensopvatting en haar hoge eisen afstand tussen haar en de leerlingen. Zij dwong respect af en schiep veeleer afstand tussen zichzelf en de leerlingen.

Hoe serieus en innerlijk overtuigd zij was, moge blijken uit een brief die zij in die tijd schreef aan een kloosterzuster: ‘Het belangrijkste is dat de leraressen werkelijk bezield zijn door de Geest van Christus. Van de andere kant is het even hard nodig het leven te kennen waarop de kinderen worden voorbereid. Anders lopen we het risico dat de meisjes straks zeggen: “De zusters hebben geen enkel benul van de wereld; ze hebben ons in het geheel niet voorbereid op de vragen waar wij nu voor staan.” Met het gevaar dat alles wat wij ze meegeven als onbruikbaar overboord wordt  gegooid. U,  zuster, heeft het geluk gehad niet op al te vroege leeftijd te zijn ingetreden. U heeft nog meegedaan aan de jeugdbeweging. Daardoor hebt u aanknopingspunten die anderen moeten missen. Maar ook nu moet u voeling houden. Bedenk door welke crises de huidige jonge generatie heen is moeten gaan. Dat brengt met zich mee dat ze ons niet meer verstaan; maar wij van onze kant moeten ons best doen hen wel te verstaan. Dan kunnen we hen misschien nog een beetje verder helpen.’

En dan te bedenken dat deze woorden werden geschreven begin jaren twintig van de 20e eeuw. Duitsland had de Eerste Wereldoorlog verloren; duizenden jonge mannen waren gesneuveld en het land had een vernederend vredesverdrag moeten tekenen. Dat had grote invloed op de Duitse mentaliteit. Hoe Fräulein Stein haar taak opvatte, komt ook tot uiting in de opsteltitels die zij opgaf. Nu eens ‘In de bioscoop’ of ‘Het leven van een vrouw in de middeleeuwen’, dan weer ‘Wie dorst naar waarheid zal altijd de bron vinden’ of ‘Wie anderen goed leiding wil geven, moet bereid zijn veel op te geven’.

Op een goed moment werd ze door de communiteit gevraagd de novicen les te geven, niet alleen in Latijn, maar ook in spirituele onderwerpen. Dat leidde niet zelden tot indringende gesprekken over roeping, levenskeuzes, geloof. Moeder overste vertrouwde haar daarin volkomen.

Maar ook haar leven als filosofe was in een nieuw licht komen te staan. Intussen was ze begonnen Thomas te lezen. Bij hem ontdekte ze dat geloof in staat is de wereld anders en dieper te kennen dan allen met menselijke, puur wetenschappelijke methoden. Ze schreef er opstellen over, die hun weg vonden in de filosofische tijdschriften. Die artikelen trokken de de aandacht van hoogstaande katholieke wetenschappers. Stilaan werd ze links en rechts gevraagd conferenties en lezingen te houden. Dan stond daar voor een gehoor van universitair opgeleide mensen een kleine vrouw, rustig, bescheiden, die zonder enige stemverheffing dingen zei waarvan ieder aanvoelde hoe diep doordacht en doorvoeld ze waren.

Naast dit alles was ook haar joodse verleden in een nieuw licht komen staan. Het licht van Christus. Ze voelde zich nog altijd onverminderd jodin. Daar lagen haar wortels, daar hoorde ze bij. Maar naar haar vaste overtuiging vond het joodse geloof en de joodse cultuur haar bekroning in de persoon van Christus. In zijn lijden, dood en opstanding. Had zij niet ontdekt dat Christus’ kruis een sterkende bron kon zijn? De jaren die komen zouden, de jaren van het opkomend nazisme, zouden aantonen, hoezeer daar haar diepste roeping zou komen te liggen.

*

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift maart 2008

Niet op eigen kracht…

God heeft het initiatief, ook al leek het aan de buitenkant alsof het allemaal uit jezelf kwam. Om Hem is het begonnen. Om Hem draait het. Op Hem is je leven georiënteerd. Je voegt je naar Hem. De inrichting van je leven gaat terug op zijn woord, zijn uitnodiging. Er komt een moment dat dat mysterie in jouw persoon aan het licht treedt.

Het is niet moeilijk dat moment aan te wijzen in het leven van Edtih Stein: haar intrede in de Carmel van Keulen. Op 14 oktober wordt zij toegelaten als postulante. Voor een buitenstaander is er geen groter contrast denkbaar dan tussen Ediths leven vóór haar intrede en erna.

Was zij tot dan toe een geleerde filosofe, alom gevraagd om lezingen te houden, op handen gedragen door het wereldje van de filosofen, van de ene dag op de andere is ze niets: de laatst gekomene in de Carmel. Beginneling. Tevoren had ze zich moeten voorstellen aan de communiteit: de zusters aan de ene kant van de tralies, zij, Edith, aan de andere kant. De zusters hebben nog nooit van haar gehoord. Die leven in een geheel andere wereld. Een oudere zuster vraagt bezorgd of zij wel goed kon naaien en handwerken. Het moeilijkste moment van dat gesprek was geweest, toen de zusters haar hadden gevraagd een vroom lied voor te zingen. Daar zit ze, in haar eentje, tegenover zusters achter tralies… Ze zingt een Marialied. Later zal ze toegeven dat alle examens aan de universiteit niet zo moeilijk waren geweest als dit moment.

Je begint als postulante, kandidaat-novice. Die periode duurt een half jaar. Je gaat nog gekleed in je burgerkleren, maar leeft het leven van de zusters mee. Je hebt een cel met het hoognodige: strobed, kast, tafel, stoel, lampetkan en waterbekken; kruisje aan de muur. Je doet de werkzaamheden die je worden opgedragen, waarbij het opvalt hoe onhandig Edith is in de keuken. Eens brengt ze een medezuster tot wanhoop, omdat die haar tevergeefs probeert uit te leggen hoe je het beste een kloostergang kunt dweilen. En verder… de stilte van de Carmel. Van de woestijn. Van het gebed. Van het innerlijk gevecht om God te zoeken en te vinden, niet in de wereld en de bezigheden, maar juist in de afwezigheid van dat alles.

Soms licht zij in een brief naar buiten zelf een tip van de sluier op waardoor zij inzage geeft in haar gebedsspiritualiteit: “In de eeuwige stilte aan de binnenkant van Gods Leven werd besloten tot de Verlossing. In de verborgenheid van het stille kamertje van Nazareth kwam de kracht van de Heilige Geest over de Maagd die in eenzaamheid zat te bidden; zo kwam de menswording van de Heiland tot stand. Verzameld rond de stil biddende Maagd wachtte de Kerk, die op het punt stond geboren te worden, de beloofde komst van de Heilige Geest af: deze moest haar inspireren tot innerlijke verlichting en tot activiteit die blijvend vrucht zou dragen. In de nacht van de blindheid waarmee God Saulus had geslagen, wachtte hij het antwoord af op de vraag die hij had gesteld: ‘Heer, wat wilt u dat ik doe?’ In eenzaam gebed werd Petrus voorbereid op zijn zending onder de heidenen. En zo gaat dat alle eeuwen door. In de eenzame samenspraak van elke toegewijde ziel worden de gebeurtenissen voorbereid die in de kerkgeschiedenis zichtbaar worden, en welke het aanschijn der aarde vernieuwen. De maagd, die alle van God afkomstige woorden in haar hart bewaarde, is het voorbeeld van die luisterende zielen; in hen wordt Jezus’ hogepriesterlijk gebed telkens weer vernieuwd…”

Tot die stilte weet zij zich uitgenodigd; daar mag zij deel aan hebben. Weten wij niets van haar intieme omgang met de Heer, wel constateren mensen uit haar omgeving dat zij er steeds beter begint uit te zien. Jeugdiger. Frisser. We herinneren ons dat de grote Teresa van Ávila ooit eens heeft gezegd: “God behoede ons voor heiligen met gefronste wenkbrauwen.” Welnu, Edith laat zich eens tegen haar novicenmeesteres ontvallen dat ze in haar vroegere leven nooit zoveel heeft gelachen als in de Carmel. Soms lopen de tranen haar over de wangen. Kortom, ze maakt het goed. Dit is haar wereld.

Noviciaat

Na een half jaar, 15 april 1934: zondag van de Goede Herder, volgt de inkleding en de toelating tot het noviciaat. De postulante wordt als een bruid getooid. Met hoeveel liefde en zorg hebben de zusters van de communiteit in de voorafgaande weken gewerkt om haar zo mooi mogelijk te maken! Velen uit haar vroegere vrienden- en kennissenkring zijn aanwezig. Vlak vóór de dienst komt Edith, reeds gekleed als bruid, in een spreekkamer nog even van ieder persoonlijk afscheid nemen. Dan volgt de plechtige heilige mis. Na afloop houdt de celebrant een behartenswaardige preek over de nederigheid. Dan richt hij zich rechtstreeks tot de postulante: “Wat verlang je?” Rustig en waardig klinkt Ediths antwoord: “De barmhartigheid van God, de armoede van de Orde en de gemeenschap met de zusters.” “Ben je vastbesloten het leven in de Orde vol te houden om er tenslotte  te sterven?”  “Dat hoop en verlang ik, geholpen door de barmhartigheid van God en het gebed van de zusters.” Dan klinkt de zegenwens: “Moge de Heer die je tot ons bracht, je de oude mens met alles wat daarbij hoort, doen afleggen.”

Edith gaat staan, neemt de kaars aan die haar wordt aangereikt, en verdwijnt door de deur van het slot, gevolgd door de hele communiteit. In de kloostergang wordt haar het kruis getoond: zij begroet het door het te kussen. Dan legt zij haar bruidstooi af en wordt gehuld in het haren boetekleed van de Carmel; haar sierlijke schoentjes worden  verruild met simpele sandalen. Dan keren de zusters terug naar de kapel. De novice knielt neer bij een bankje waarop het ordeskleed klaarligt. “Moge de Heer je bekleden met de nieuwe mens, “ zo klinkt het, “die naar Gods beeld geschapen is in waarheid, gerechtigheid en heiligheid.” Moeder overste en de novicemeesteres reiken haar de leren gordelriem aan: “Toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar nu je oud geworden bent, zal een ander je omgorden: in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Vervolgens nemen beide zusters het scapulier en leggen dat over het hoofd op de schouders van de novice: “Neem het zachte juk en de lichte last van Jezus Christus op je; in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Om deze verandering te onderstrepen ontvangt de novice een nieuwe naam: Teresia Benedicta a Cruce: Theresia, gezegend door het Kruis. Niet alleen een herinnering aan ruim tien jaar geleden, toen zij de jonge weduwe ontmoette…; ook niet alleen een herinnering aan het feit dat haar moeder sinds haar vertrek nog altijd niets van zich heeft laten horen – en dat in weerwil van het feit dat ze bij wijze van uitzondering van moeder overste uitdrukkelijk toestemming heeft gekregen haar oude gewoonte voort te zetten en haar moeder iedere vrijdag een brief te schrijven. Geen reactie.

Buiten klinkt de roep van de nazi’s steeds harder. Op scholen worden kruisbeeldjes verwijderd en vervangen door nazisymbolen. Op vergaderingen in heel Duitsland wordt ieder die iets anders zegt dan wat de nazi’s lief is, weggeschreeuwd. Sinds een paar maanden is Hitler aan de macht. Zijn antisemitische uitlatingen klinken steeds rauwer en benauwender.

Alleen het kruis kan hier antwoord geven. Jezus’ antwoord op onrecht en alwat fout gaat in de wereld. Aan dat kruis wil Zuster Teresa uitdrukkelijk deelhebben, als lid van het joodse volk. Het gebed van de eenzame stilte, en het mysterie van het kruis: God heeft zichtbaar zijn hand op haar gelegd. De filosofe Edith Stein is zuster Teresa Benedicta van het Kruis geworden.

Dries van den Akker s.j.

*

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift april 2008

Eenzaamheid

Ieder die zich bewust wordt van zijn roeping, maakt momenten door waarop de gevolgen duidelijk worden. Je raakt vrienden kwijt, en er komen nieuwe voor in de plaats. Je voert je eigen strijd. Kiezen maakt eenzaam. Verschillende reacties zijn mogelijk. Je kunt vluchten voor de gevolgen, zoals we Jona zien doen in het Oude Testament: “Mij niet gezien. Kies liever een ander, Heer!” Maar is wat Jezus doormaakt in de woestijn, aan het begin van zijn openbaar leven, in wezen niet hetzelfde? Keuzes openen wegen, maar sluiten anderen af. Ben je bereid die gevolgen te aanvaarden? Van Jezus wordt verteld dat Hij zo veertig dagen in de woestijn zijn innerlijke strijd voerde. Hij werd bekoord, zo heet het. Het was de tijd waarin Hij werd uitgedaagd om zijn motivatie uit te zuiveren.

Iets soortgelijks zien we bij Edith Stein, of liever bij zuster Teresia Benedicta a Cruce. Voor haar was de Karmel als een thuiskomen. Hoe streng, eenvoudig en boetvaardig het kloosterleven ook was, zij ervoer het telkens als de vervulling van wat zij haar leven lang ten diepste verlangd had. Naar het schijnt geen moment van twijfel of aanvechting te vluchten, zoals bij Jona. Wel een steeds grotere eenzaamheid, die des te opvallender is, omdat zij voor haar omgeving een toonbeeld was van regeltrouw, en vriendelijke gelijkmoedigheid.

Op aandringen van haar vroegere filosofische collega’s krijgt zij toestemming van haar overste om opstellen, artikelen en boeken te publiceren. Zij wordt zelfs vrijgesteld van alle andere kloosterlijke bezigheden om zich daar volkomen aan te wijden. Maar wie de dagorde van een klooster kent, weet dat een kloosterling zich nooit langer dan anderhalf  à twee uur aan eenzelfde activiteit kan wijden. Telkens voorziet de dagorde in gemeenschappelijke of persoonlijke gebeds- en meditatietijden, geestelijke lezing, huishoudelijk werk, maaltijden, recreatietijd enzovoort. Op die manier leert de kloosterling zich onthechten aan elke activiteit. Ieder die heeft gestudeerd, weet hoe vervelend het is studie of schrijfwerk te moeten onderbreken. Zuster Teresia scheen het niet te deren.

Nee, haar strijd lag in de eenzaamheid die van alle kanten op haar afkwam. Zij had toestemming om haar moeder in het verre Breslau elke week te schrijven, zoals zij haar leven lang gewend was geweest. Maar moeder antwoordde niet. Haar zuster Rosa, die ook belangstelling bleek te hebben voor het katholieke geloof, trad op als bemiddelaarster en hield Edith op de hoogte van moeders reilen en zeilen. Pas vlak voor haar dood begon moeder korte groeten toe te voegen aan Rosa’s brieven. Toen zij in 1936 stierf, had ze zelfs kort tevoren – zonder dat ze daar iemand iets van had gezegd - een keer de Karmel in Breslau bezocht. Wilde zij de sfeer proeven waar haar dochter haar thuis had gevonden?

Moeder werd ziek en ging langzaam achteruit. Haar berichtjes aan Edith -  die ze tenslotte op haar kaartjes zelfs aansprak met ‘zuster Teresia’! -  werden vriendelijker. Haar dood kwam op 14 september 1936, feest van Kruisverheffing, uitgerekend de dag waarop Teresia in Keulen haar geloften hernieuwde. Het deed haar onpeilbaar verdriet, toen er mensen waren die suggereerden dat moeder vlak voor haar dood katholiek was geworden. Dat deed haar moeder geen recht, evenmin als het verdriet dat beiden doorstaan hadden. Ze schreef: “Het bericht over de bekering van mijn moeder is volkomen uit de lucht gegrepen. Wie het in de wereld heeft gebracht, weet ik niet. Mijn moeder heeft tot het laatste vastgehouden aan haar geloof. Maar omdat zij van haar eerste kinderjaren af tot op haar 87e standvastig is gebleven in haar geloof  en in het vaste vertrouwen op haar God – het was het laatste wat haar in haar zware doodstrijd overbleef – daarom ben ik vol vertrouwen dat zij een genadige rechter gevonden heeft en dat zij mij nu met al haar hulp terzijde staat, zodat ook ik mijn doel kan bereiken.”

Was Ediths moeder haar dochter tegen het eind van haar leven een stuk nader gekomen, toch was de eenzaamheid van haar kloosterkeuze telkens voelbaar. Aan een dame die haar een plezier dacht te doen met het geven van complimentjes, schrijft zij: “Ik wil u geen verdriet doen, maar ik moet u toch eerlijk zeggen dat iets in uw laatste brief – en trouwens in vroegere brieven ook – mij pijnlijk heeft geraakt. Dat is de overdreven nadruk die u legt op de zogenaamd geweldige afstand die er tussen u en mij zou bestaan. Ik zou mijzelf een Farizeeër vinden, als ik dat stilzwijgend zou laten passeren; er is  immers geen enkele objectieve reden voor. U bent natuurlijk niet de enige persoon op wie onze tralies een eerbiedige, maar ook griezelige indruk maken. Maar die tralies zorgen er echt niet voor dat aan uw kant – ‘de wereld’ – alles slecht is en aan onze kant alles volmaakt. Wij weten hoeveel menselijke armzaligheid er nog onder ons habijt verborgen gaat; daarom zijn wij altijd zeer beschaamd als men ons bewierookt. Gods barmhartigheid en grootmoedigheid gaat alle begrip te boven en beloont het besluit alleen al om zich totaal aan Hem toe te wijden met een overvloed aan genade. U bespeurt iets van de vrede van zijn huis, als u hier bent, en het is u van harte gegund. Maar u moet een arm mens niet toedichten wat een geschenk van Hem is.”

De grootste strijd diende zich aan op het politieke vlak. De Spaanse Burgeroorlog zorgde ervoor dat vele geestelijken en kloosterlingen op de vlucht werden gejaagd. De berichten dringen ook door in de Karmel, en men vindt de echo ervan in sommigebrieven van zuster Teresia. Dichter bij huis kon je niet meer langs het antisemitische, en zelfs anti-christelijke gebral van de nazi-machthebbers. Het diende zich sluipend aan. Het stemrecht was intussen aan niet-ariërs ontnomen. Tijdschriften en uitgevers stuurden haar geschriften terug met de mededeling dat ze er geen plaats voor konden inruimen… Juist in die tijd voltooide zij haar grote werk Eeuwig en eindig ‘zijn’: het zou in verschillende delen gepubliceerd worden. Er bleek geen uitgever in heel Duitsland, Oostenrijk of Zwitserland te vinden die een publicatie van een niet-ariër op de markt durfde te brengen. Uiteindelijk beloofde een bevriende uitgever in Breslau het erop te wagen. De drukproeven van het eerste deel waren al terug naar de uitgever, toen een vertrouwensman namens de uitgever kwam vragen of het niet onder de naam van een andere zuster gepubliceerd kon worden. Die zuster zou dan wel ingeschreven moeten staan bij de Rijkskamer. Noch de beoogde zuster noch Zuster Teresia zelf konden daarmee instemmen. Waarop de uitgever het manuscript als ‘in de huidige omstandigheden onuitgeefbaar’ terug. Zuster Teresia zelf zag het heel scherp. Toen iemand haar feliciteerde met haar plekje in de Karmel, omdat ze het zo goed maakte, antwoordde ze: “Maar u dacht toch niet dat ik hier mijn hele leven kon blijven? O nee, ze zullen me komen halen, en de hemel weet wat er dan met me gebeurt…” Ze begon erover met moeder overste, omdat ze bang was met haar joodse achtergrond de hele communiteit in gevaar te brengen. Moeder overste legde haar het zwijgen op; zij mocht er met geen zuster over praten, en dacht er niet aan haar naar elders te sturen.

Toen kwamen de verkiezingen. Volgens de regel krijgen zelfs de karmelietessen dan toestemming om het slot te verlaten om aan hun maatschappelijke verplichtingen te voldoen. Onder de zusters heerste de opvatting dat hun stem er toch niets toe deed. De partij had de stemming gemanipuleerd; de uitslag lag allang vast. Waartoe stemmen? Op zulke momenten was de anders zo vriendelijke en gelijkmoedige zuster Teresia ongemeen fel en onherkenbaar: “We moeten ons nee laten horen.” Het ongehoorde feit deed zich voor dat een driemansafvaardiging van het stembureau zich kwam melden bij de kloosterpoort. Dan hoefden de zusters het slot niet te doorbreken: de zusters hoefden alleen maar ‘ja’ of ‘nee’ te zeggen op de vraag  of ze achter de Führer stonden. Moeder overste protesteerde, want dan zou er van een geheime stemming geen spraken zijn. Het gebeurde zoals de commissie het wilde. Tegen het einde van de vertoning vroeg de woordvoerder aan moeder overste: “We missen nog mevrouw Doktor Stein?” “Die heeft geen stemrecht.” “Welzeker, zij is van 1891?“ Toonloos luidde het antwoord: “Zij is niet-arisch…” Waarop de woordvoerder aan de secretaris van de commissie gebood: “Wilt u dat noteren:  ‘niet-arisch’!” De nacht van 9 op 10 november 1938 is de geschiedenis ingegaan als de Kristalnacht vanwege de vele scherven die er achterbleven na de vernielingen door de nazi’s. Maar het waren niet alleen de ruíten van joodse mensen en synagogen die aan diggelen werden geslagen…

Er ging een briefje naar de Karmel in Echt, vlak over de Nederlandse grens: “We hebben hier een zuster, die nodig toe is aan verandering van lucht.” Een goede vriend van de Karmel bracht zuster Teresia er naartoe.

Dries van den Akker s.j.

*

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift mei 2008

In verbondenheid

Tot het mysterie van de roeping behoort dat iemand temidden van zovele anderen geroepen wordt een eigen zending te vervullen. Dat geldt niet alleen voor het beroep dat je gaat uitoefenen in de maatschappij, maar ook voor de levensstaat die je gaat voeren: of je bescheiden blijft of op de voorgrond treedt; of je wereldverbeteraar wordt of bijna onopgemerkt de daagse plichten tot iets bijzonders maakt doordat je ze met liefde doet. Kortom: tot roeping behoort dat je jouw weg gaat, dat je de verantwoording neemt voor de keuze die op jou is gevallen.

In de situatie van Edith Stein is dat schrijnend aanwezig door het feit dat zij ten tijde van het opkomend nazisme tot het niet-Arische ras behoorde. Zij was joodse. Zij leed onder de beangstigende bejegeningen van haar volk. Na de Kristallnacht van 10 oktober 1938 sprak zij woorden die wij – intussen wetend waarop dit alles uitgelopen – niet meer in de mond zouden durven nemen. “De schaduw van het kruis valt over mijn volk. Het is de vloek die mijn volk over zichzelf heeft afgeroepen. Kaïn wordt vervolgd, maar wee degene die de hand slaat aan Kaïn.  Wee ook over dit land, als God wraak gaat nemen voor wat vandaag zijn volk wordt aangedaan.” Blijkbaar zag zij dit onheil in het perspectief van het feit dat de joodse godsdienst Jezus Christus niet had geaccepteerd, en destijds wreed terzijde had geschoven. Wij herinneren ons de gesprekken met haar moeder: “Je kunt toch ook joods vroom zijn?” “Natuurlijk – zolang je niet weet dat er ook iets anders is.”

Hoezeer zij ook geloofde dat Jezus Christus het joodse geloof tot voltooiing had  gebracht, nooit heeft zij haar afkomst verloochend. Integendeel. Als er weer eens kwaad werd gesproken van joden, merkte zij op: “Net zoals men de jezuïeten van allerlei dingen beschuldigt, gebeurt dat nu ook bij de joden.” Dat was nog maar een understatement. Een Nederlandse propagandafilm uit het begin van de oorlog toont op schaamteloze wijze hoe er over joden diende te worden gedacht. Men begint met het tonen van ratten in riolen; daarna krijgen we een kijkje in een dicht bevolkt joods getto, en men suggereert dat er geen verschil is. Welnu, ongedierte moet je uit je midden verwijderen! Vervolgens toont men dikke, welgestelde joden, die in de hogere kringen verkeren, deelnemen aan het diplomatieke verkeer en het uitgaansleven: zover is het al gekomen dat ze zich hebben weten in te dringen tot in de hoogste lagen van de maatschappij. Laten we toch op onze hoede zijn, voor het te laat is. Kortom, het is nooit goed wat een jood doet, want we dienen een fundamenteel wantrouwen tegen ze te ontwikkelen. Aldus de film.

Het mysterie van de drie-ene persoon

Ediths novicenmeesteres en latere overste van de Keulse Karmel schrijft: “Edith Stein bleef zich er ook als zuster Benedicta van bewust tot het uitverkoren volk te behoren. Maar het was niet zo dat zij zich daarop liet voorstaan. Het bestaan van de wereld en de mensen gaat uiteindelijk terug – zo was haar vaste overtuiging – op een Persoon. En wel op de God die zich had laten kennen als een drieëne persoon. Die openbaring verdiepte in haar de vreugde tot het volk te behoren dat God altijd had aanbeden als de God van Araham, Isaak en Jakob. Zo wenste Hij immers genoemd te worden tot aan het einde der tijden. Als het gesprek ging over het Oude Verbond, straalde die vreugde van haar af als een stil licht in haar mooie ogen. Hetzelfde licht dat haar verlicht moet hebben tot op haar Golgotha.” Ze leed tezamen met haar volk.

Wel was zij bezorgd voor haar medezusters, eerst van de Keulse Karmel, en later van die te Echt: welk een risico zouden die straks lopen, wanneer duidelijk werd dat zij een niet-Arische zuster in hun midden hadden geduld? In Keulen was ze begonnen een familiegeschiedenis te schrijven. Ze durfde de papieren niet mee te nemen de grens over. Ook achterlaten in Keulen was veel te riskant: ze heeft ze vernietigd.

Reeds in 1938 was een van Ediths broers in de Keulse Karmel langs gekomen om afscheid te nemen: hij week uit naar Amerika: “Afgelopen vrijdag kwam mijn broer me gedag zeggen, voordat hij naar Amerika emigreert. Uitgerekend op de vijfde verjaardag van mijn intrede. Het was de eerste keer dat ik ze sindsdien weer zag. Misschien is dit een afscheid voor goed. Alles begint uit elkaar te vallen. Help alstublieft met uw gebeden.”

Toen ze eenmaal over de Nederlandse grens in Echt woonde, kreeg ze bericht dat Erna vanuit Breslau naar Amerika zou verhuizen. Edith nodigde haar uit om gedag te komen zeggen. Maar Erna schreef terug: “Onze treinkaartjes gaan over Hamburg. Van de Nederlandse grens is bekend dat ze daar ontzettend moeilijk doen. Dat risico willen we niet lopen. We hebben er dus van af moet zien om bij je langs te gaan.”

Wel voegde Rosa zich bij haar in Echt. Zij was na de dood van moeder overgegaan naar de katholieke kerk, en was lid geworden van de derde orde der karmelieten. Ze werd ondergebracht in het gastenkwartier van de communiteit.

Jezus en Lucifer

In mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Een week later was het Duits bezet gebied. Er werden pogingen in het werk gesteld om zuster Benedicta en haar zus Rosa overgeplaatst te krijgen naar een Zwisterse Karmel. Ze moesten er voor naar de Gestapo Maastricht om hun papieren in orde te laten maken. Als men het bureau binnenkwam, diende men hardop te zeggen: ‘Heil Hitler!’ Maar Edith riep: “Geloofd zij Jezus Christus!” Later zei ze aan haar overste dat zij zich van binnen uit genoodzaakt voelde tot deze onbezonnen daad, omdat het hier niet meer een administratieve handeling betrof van een ambtenaar jegens een burger, maar het was de aloude confrontatie van Jezus met Lucifer. Edith werd afgeblaft: haar papieren deugden niet, omdat er geen J op stond die aanduidde dat zij jodin was. Bovendien hadden alle jodinnen de naam Sara moeten toevoegen aan hun eigen naam. Ook dat was niet gebeurd. Ze moest dus naar haar geboorteplaats Breslau schrijven – zo werd haar te verstaan gegeven - en in alle bescheidenheid – zo zei men dat! – verzoeken dat in orde te maken. Bij die gelegenheid werd ook de gele daviddsster op hun kleding aagebracht. Bovendien moesten de beide jodinnen zich tot de Joodse Raad wenden in Amsterdam. Ze zijn er geweest, en hebben ellenlange vellen papier met vragen zitten invullen. De toestemming om af te reizen naar Zwitserland kwam enkele dagen nadat Edith en Rosa waren opgepakt en weggevoerd.

Het is niet te geloven, maar temidden van dit alles bewaarde zuster Benedicta haar rust en haar innerlijke evenwicht. Ze vond zelfs de tijd en de rust om een boek te schrijven over de kruismystiek van Johannes van het Kruis: ‘Kreuzeswissenschaft’ (‘Kruiswetenschap’). Het is onvoltooid gebleven; de laatste door haar geschreven bladzijden dateren van 2 augustus 1942, de dag dat de Gestapo haar en haar zus Rosa kwam ophalen…

Aan het begin zeiden we: tot het mysterie van roeping behoort dat je temidden van de mensen met wie je je verbonden weet jouw persoonlijke weg aanvaardt. Welnu, nog in de Keulse Karmel had zuster Benedicta op de achterkant van een gebruikte kaart aan haar overste geschreven: “Lieve Moeder, ik vraag u om toestemming mijzelf aan te bieden aan het Hart van Jezus als een zoenoffer voor de ware vrede. Dat het Rijk van de Antichrist ten onder mag gaan, liefst zonder nieuwe wereldoorlog, en dat er een nieuwe wereldorde tot stand mag komen. Ik zou dat graag nog vandaag willen doen, want het is vijf voor twaalf. Ik weet dat ik niets ben, maar Jezus verlangt het van me, en Hij zal in deze dagen ongetwijfeld nog vele anderen hiertoe oproepen. Passiezondag, 26 maart 1939.”

Dries van den Akker s.j.

*

Voor ‘Christelijk Leven’ GCL-Tijdschrift juni 2008

Toewijding

Tot het mysterie van roeping behoort dat men zich engageert, niet omdat een ander het oplegt, maar omdat men uit vrije wil ingaat op de uitnodiging van God zelf.

De acht hoofdstukken die wij hiervóór geschreven hebben, maken stuk voor stuk duidelijk hoezeer dat in de persoon van Edith Stein werkelijkheid is geworden. De laatste dagen van haar leven zijn er eens te meer een indrukwekkend voorbeeld van.

Op 11 juli 1942 stuurden de Nederlandse bisschoppen een telegram naar de Nazi-autoriteiten, waarin zij officieel protest aantekenden tegen de vervolging en de deportaties van de joden. Bovendien verzochten zij in ieder geval de niet-Arische christenen te ontzien. De Duitsers antwoordden dat zij een uitzondering zouden maken voor alle joden die konden aantonen dat zij vóór januari 1941 al christen waren. Intussen ging de onmenselijke behandeling van de joden gewoon door. Weer gingen er protestbrieven naar de Nazileiders. Daarin gaven de bisschoppen te kennen dat zij een officiële brief zouden laten voorlezen in alle katholieke kerken van Nederland van deze strekking. De nazi’s dreigden dat dat ernstige gevolgen zou hebben. Kardinaal de Jong beschouwde dat als inmenging van de Staat in kerkelijke zaken en wenste niet van zijn plan af te zien. De brief werd inderdaad voorgelezen op zondag 26 juli 1942. Katholiek Nederland hield de adem in: wat zouden de gevolgen zijn? Die lieten niet lang op zich wachten.

Opgepakt

Op 28 juli ontving zuster Benedicta het bericht dat één van haar broers met zijn hele gezin was opgepakt en afgevoerd naar een concentratiekamp. Op 2 augustus werden overal in Nederland katholieke joden opgepakt. Om vijf uur ’s middags – de zusters begonnen juist aan het koorgebed – kwamen twee SS-officieren naar Zuster Benedicta vragen. Ze diende binnen vijf minuten mee te komen. “Dat gaat niet. Wij leven achter slot.” “Dan haalt u die tralies hier weg,” was het antwoord. “Doet u me maar eens voor hoe dat moet.” “Roep uw overste, “ klonk het gebiedend. De officier herhaalde het bevel: “Ze moet binnen vijf minuten met ons mee.” “Dat gaat niet.” “Dan tien minuten, maar geen seconde meer! Als u nog langer tegenwerkt sta ik niet voor de gevolgen in die uw communiteit kunnen treffen.” Toen zij naar buiten gingen, lag Rosa geknield op de drempel van de deur en vroeg de zegen van moeder overste. De beide vrouwen werden naar de SS-auto geleid. Aan de overkant van de straat stond een handjevol mensen in stilte knarsetandend toe te zien. Er zaten al een paar andere arrestanten in de auto. Om drie uur ’s nachts werden de gevangen afgeleverd in het doorgangskamp te Amersfoort.

Drie dagen later ontvingen de zusters een telegram, waarin Benedicta om warme kleding, dekens en medicijnen vroeg. Dat alles moest opgestuurd worden naar kamp Westerbork, want daar zouden ze naar overgebracht worden. De spullen werden door twee mannen uit Echt naar het kamp gereden, gelukkig onder toezicht van Nederlandse agenten. Zo waren ze in de gelegenheid buiten het kamp nog een enkel woord te wisselen met de zusters. Ze kwamen terug met het bericht dat zuster Benedicta heel dankbaar was voor de groeten en de gebeden van de zusters. Verder vertelde ze dat ze een aantal vrienden en bekenden in het kamp had getroffen. Ze noemde er een aantal op, zonder ook maar één woord te wijden aan haar eigen gevoelens. In haar barak waren ze met tien zusters die allen nog het habijt droegen. Ze hadden zich vast voorgenomen dat te blijven doen voor zover het van hen afhing. Vele mensen waren blij met de aanwezigheid van priesters en religieuzen in het kamp. Er ging hoop en troost van hen uit. Waar ze kon verrichtte ze hand- en spandiensten. Moedeer overste hoefde zich over haar en Rosa niet ongerust te maken. Ze werden door de soldaten beleefd behandeld. Ze hadden de hele dag ruim de tijd om hun gebeden te doen. De enige afwisseling bestond in het eten drie keer per dag.

Ooggetuigen

Hoe anders luidt het verslag van een ooggetuige die het geluk had dit alles te overleven: “Zuster Teresia Benedicta a Cruce die in het kamp Edith Stein heette, kwam ik op 2 augustus 1942 in het doorgangskamp Amersfoort tegen. Als ik me niet vergis in barak 9. Die zondag werden alle katholieke deeljoden of van joodse afkomst, door Duitse beulsknechten gearresteerd, weggesleept  en vooreerst in Amersfoort bijeengebracht, om van daaruit doorgevoerd te worden naar de gaskamers en de verbrandingsovens. Dat was hun antwoord op het herderlijk schrijven van de Nederlandse bisschoppen die de zondag ervoor in alle Nederlandse kerken was voorgelezen. Toen zuster Benedicta met nog driehonderd mannen, vrouwen en kinderen achter het prikkeldraad van het kamp gedreven waren, moesten ze urenlang blijven staan. Bij wijze van welkom moesten ze toezien hoe daar op de appelplaats al twee of drie dagen lang een groepje mensen stond bij wijze van straf omdat een van die uitgehongerde drommels een stuk droog brood ‘gestolen’ zou hebben. Nou ja, er waren er nog die recht op stonden, maar anderen waren in elkaar gezakt. Die werden flink aangepakt om ze weer op de been te krijgen. Laat ik niet vergeten op te merken dat er de hele dag geschopt en geslagen werd. Maar dat was nog wel uit te houden. Veel pijnlijker ging het er bij de vrouwen aan toe. En daar heeft Edit Stein zich bijzonder onderscheiden.”

Op 5 augustus werden Edith en Rosa Stein op transport gezet naar Westerbork, het gevreesde doorgangskamp in Drente. Vandaar vertrokken immers de met joden volgestouwde goederentreinen naar Duitsland en Polen… Weer hebben wij het bericht van een overlevende ooggetuige: “Tussen de gevangenen die op 5 augustus binnenkwamen maakte zuster Benedicta diepe indruk door haar kalmte en rust. De ellende in het kamp en de paniek onder de nieuwkomers was onbeschrijflijk. Zuster Benedicta bevond zich natuurlijk bij de vrouwen: ze troostte, hielp en suste waar ze maar kon. Er waren vele moeders die half waanzinnig of verdoofd dagen lang niet meer naar hun kinderen omkeken: ze zaten daar maar wat, wezenloos in wanhoop. Zuster Benedicta trok zich het lot van die arme, verweesde kleintjes aan, ze waste en verzorgde ze; ze zag erop toe dat ze eten kregen en aan de beurt kwamen. De tijd dat ze in het kamp verbleef, waren die daden van naastenliefde eigenlijke de enige zaken waarmee ze zich bezig hield. Zodat iedereen er versteld van stond.”

Ook wij mogen daar versteld van staan. Temeer daar wij ons herinneren hoe onhandig ze altijd was, waar het huishoudelijke werkjes betrof. In de Keulse Karmel hadden ze zich daar vrolijk over gemaakt Nog toen ze naar Echt verhuisd was, had een van de oudere zusters opgemerkt: “Ze kan nog geen bezem of stofdoek vasthouden.” En deze vrouw doet nu wat ze niet kan.

Een andere ooggetuige uit kamp Westerbork vertelt: “Het grote verschil tussen Edith Stein en de andere zusters zat hem in haar stilte. Het is mijn persoonlijke indruk dat zij aldoor diep bezorgd was, maar niet angstig. Hoe moet ik het zeggen? Ze wekte de indruk een enorme last van verdriet op haar schouders te dragen, zozeer dat zelfs als zij glimlachte er grote bezorgdheid van uit ging. Als ik aan haar terugdenk, zoals zij daar zat in de barak, kan ik alleen maar zeggen: Ze was een Pietà zonder Christus.” (Een Pietà is een beeld van Maria onder het kruis met de dode Christus op haar schoot).

Een andere Christus

Zo werd haar eigen gebed vervuld: “Niet menselijke activiteit kan ons helpen, maar wel het lijden van Christus. Daaraan deel te hebben is mijn verlangen.”

Op 6 augustus schreef ze nog een kort kaartje naar de Karmel in Echt, waarin ze om wat spullen vroeg. Op 7 augustus hoorde een vrouw op het station van de Duitse stad Schifferstadt haar naam roepen. Het was Edith Stein die haar vanuit een transporttrein naar Polen had herkend en vroeg bekenden de groeten te doen. Op 9 augustus verdwenen Edith en Rosa Stein in de gaskamers van Auschwitz.

En wij? Blijven achter bij het beeld op de hoek van de Kardinaal Fringsstrasse  en de St-Gereonstrasse in Keulen, vlakbij het kerkje van Maria Ablass. We zien er Edith Sein drie keer afgebeeld. Eerst als peinzend zittende jonge vrouw met een Davidsster op schoot. Vervolgens als staande vrouw met gespleten hoofd: innerlijke strijd die zij als jong volwassene heeft uitgevochten. Vervolgens zien we haar staande als karmelietes; zij houdt het kruisbeeld vóór zich naar de toeschouwer toegewend. Voor haar voeten ontrolt zich een pad waarop afdrukken van kampnummers en vele voeten staan. Ze leiden naar een grote berg schoenen… Auschwitz. Edith Stein behoorde tot haar volk, maar als een andere Christus, als zuster Teresia Benedicta a Cruce (= ‘gezegend door het kruis’): “Secretum meum mihi” (= ‘mijn geheim behoort aan mij’).

Dries van den Akker s.j.


Voor AdRem, najaar 2009

Edith Stein († 1942; feest 9 augustus 1942)

Dat had in 1922 veel ophef gegeven: de hoogbegaafde filosoof Edith Stein, leerling van de fenomenoloog Edmund Husserl, was katholiek geworden. Haar moeder was overtuigd jodin; zijzelf noemde zich vanaf haar veertiende overtuigd atheïst. De filosofie was zoektocht naar de waarheid gebleken; die kwam uit bij Christus.

In het jaar dat zij promoveerde tot doctor in de filosofie, 1917, was haar Protestantse vriend en collega Conrad Martius, in België onder de wapenen geroepen en gesneuveld. Zijn weduwe liet Edith vragen of zij zijn geschriften wilde ordenen. Daar zag ze tegen op. Hoe moest zij een van verdriet gebroken weduwe troosten? Maar de weduwe bleek in het geheel niet gebroken; zij droeg haar lijden met grote waardigheid; dat kon ze – zo legde ze zelf uit - door haar geloof in Jezus, die aan het kruis ook had moeten lijden. Later schreef Edith: "Op dat moment stortte mijn wereld van ongeloof en atheïsme volledig in." Vier jaar later kreeg zij een boek in handen van de karmelietes Teresa van Avila. Ze las het in één nacht uit. Bij zonsopgang verzuchtte zij: "Ik heb de waarheid gevonden."

Op 1 januari 1922 liet ze zich dopen. Toen zij het haar moeder vertelde, brak deze in tranen uit. Zo had Edith haar moeder nog nooit gezien: zij was immers altijd de sterke Frau Stein geweest, die in haar eentje zeven kinderen had grootgebracht en een houtbedrijf had gerund. In 1932 moest ze nog eens naar haar 84-jarige moeder om haar te vertellen dat ze besloten had als kloosterzuster in de Karmel te treden, de orde van Teresa van Avila, de zuster van het boek van elf jaar geleden. "Maar wat wil je dan gaan doen bij die zusters?" "Hun leven delen." Frau Stein snapte er niets van. Edith bleef tot en met de laatste dag van het loofhuttenfeest. Op de terugweg van de synagoge naar huis zei moeder: "Vond je het niet een mooie preek van de rabbi?" "Jazeker, heel mooi." "Nou dan? Dan kun je toch ook op z'n joods vroom zijn?" "Ja, als je niet beter weet..." Enige dagen later trad ze in bij de Karmelietessen, 15 oktober, feestdag van de heilige Teresa.

Voortaan zou ze leven achter tralies onder de naam Teresia Benedicta a Cruce: Teresia naar de schrijfster van het boek; 'benedicta a cruce': 'gezegend door het kruis'. Van de ene dag op de andere was zij van een 42-jarige, hoge eisen stellende docente veranderd in de jongste, onopvallende novice, beginneling. Zij moest leren het gewone leven van de zusters te delen. Naast de uren van gebed, die zij heerlijk vond, betekende het ook dat zij huishoudelijk werk moest verrichten: wassen, koken, strijken. Haar novicemeesteres schrijft erover: "Zij was zo onhandig en onbeholpen dat je je schaamde als je ernaar keek." Maar zijzelf noemde het een heel geschikte oefening in eenvoud en bescheidenheid. Een medezuster die haar tevergeefs probeerde uit te leggen hoe je het beste een kloostergang kon dweilen, bracht zij tot wanhoop. Gebed was haar leven. Zo schreef ze: “In de eeuwige stilte aan de binnenkant van Gods Leven werd besloten tot de Verlossing. In de verborgenheid van het stille kamertje van Nazareth kwam de kracht van de Heilige Geest over de Maagd die in eenzaamheid zat te bidden; zo kwam de menswording van de Heiland tot stand. Verzameld rond de stil biddende Maagd wachtte de Kerk, die op het punt stond geboren te worden, de beloofde komst van de Heilige Geest af: deze moest haar inspireren tot innerlijke verlichting en tot activiteit die blijvend vrucht zou dragen. In de nacht van de blindheid waarmee God Saulus had geslagen, wachtte hij het antwoord af op de vraag die hij had gesteld: ‘Heer, wat wilt u dat ik doe?’ In eenzaam gebed werd Petrus voorbereid op zijn zending onder de heidenen. En zo gaat dat alle eeuwen door. In de eenzame samenspraak van elke toegewijde ziel worden de gebeurtenissen voorbereid die in de kerkgeschiedenis zichtbaar worden, en welke het aanschijn der aarde vernieuwen…”

Intussen voelde zij zich verbonden met haar medejoden, opgejaagd in het Nazi-Duitsland van de dertiger jaren. Ook voor haarzelf werd Keulen te gevaarlijk. Ze werd overgebracht naar de Karmel in het Nederlandse Echt. Anderhalf jaar later vielen de Duitsers Nederland binnen. In 1942 verzetten de Nederlandse bisschoppen zich openlijk tegen de  jodenvervolging van de Nazi's. Gevolg: ze pakten ook katholieke joden op. Zuster Benedicta werd op 2 augustus naar kamp Westerbork overgebracht.

Een ooggetuige: "In het opvangkamp hoorde je overal huilen. Onder degenen die net aangekomen waren, heerste pure chaos. Zuster Benedicta was een engel van kalmte. Vele moeders waren zo'n beetje de waanzin nabij; ze staarden apathisch voor zich uit en vergaten zelfs hun kinderen. Benedicta ontfermde zich erover: ze hielp ze bij het wassen, kamde hun haren en zorgde voor wat eten." Zij, die zo was uitgelachen om haar onhandigheid!

In de vroege morgen van 7 augustus werd ze opgeladen. Twee dagen later kwam het transport aan in vernietigingskamp Auschwitz. De gevangenen werden meteen doorgestuurd naar de gaskamers. Onder hen zuster Teresia Benedicta a Cruce, Edith Stein, 50 jaar oud.


Edith Stein († 1942; feest 9 augustus 1942)
Voor Rond Zending: 2006, juli. Thema ‘Vacare Deo = Tijd maken voor God’

3 'Groepsportret van een heilige vrouw'

Dat had in 1922 heel wat ophef gegeven: de hoogbegaafde filosoof en wetenschappelijk medewerker Edith Stein was katholiek geworden. Wat zag een intelligente jodin in het katholieke geloof? Vrienden wisten te vertellen dat zij reeds als meisje van veertien overtuigd atheïst was. Maar de filosofie was een zoektocht naar de waarheid gebleken; die kwam uit bij Christus.
Zo'n vijf jaar geleden was het begonnen. De man van een van Ediths vriendinnen was in de oorlog gesneuveld. Of Edith zijn filosofische geschriften wilde ordenen. Dat wel, maar hoe moest zij een van verdriet gebroken weduwe troosten? Maar de weduwe bleek in het geheel niet gebroken; zij droeg haar lijden met grote waardigheid; dat kon ze door haar geloof in Jezus, die aan het kruis ook had moeten lijden. Later schreef Edith: "Op dat moment stortte mijn wereld van ongeloof en atheïsme volledig in."
Vier jaar later kreeg zij een boek in handen van de karmelietes Teresa van Avila. Ze las het in één nacht uit. Bij zonsopgang verzuchtte zij: "Ik heb de waarheid gevonden."
Ze werd katholiek en twaalf jaar later trad ze in bij de karmelietessen van Keulen. Voortaan zou ze leven achter tralies onder de naam Teresia Benedicta a Cruce: Teresia naar de schrijfster van het boek; 'benedicta a cruce': 'gezegend door het kruis'.
Intussen voelde zij zich verbonden met haar mede-joden, opgejaagd in het Nazi-Duitsland van de dertiger jaren. Ook voor haarzelf werd Keulen te gevaarlijk. Ze werd overgebracht naar de carmel in het Nederlandse Echt. Anderhalf jaar later vielen de Duitsers Nederland binnen. De dreiging bleef.
In 1942 verzetten de Nederlandse bisschoppen zich openlijk tegen de jodenvervolging van de Nazi's. Gevolg: ze pakten ook katholieke joden op. Zuster Benedicta werd op 2 augustus naar kamp Westerbork overgebracht.

Een ooggetuige: "In het opvangkamp hoorde je overal huilen. Onder degenen die net aangekomen waren, heerste pure chaos. Zuster Benedicta hielp en troostte, waar ze maar kon: een engel van kalmte. Vele moeders waren zo'n beetje de waanzin nabij; ze staarden apathisch voor zich uit en vergaten zelfs hun kinderen. Benedicta ontfermde zich erover: ze hielp ze bij het wassen, kamde hun haren en zorgde voor wat eten."
In de vroege morgen van 7 augustus werd ze opgeladen. Twee dagen later kwam het transport aan in vernietigingskamp Auschwitz. De gevangenen werden meteen doorgestuurd naar de gaskamers. Onder hen zuster Teresia Benedicta a Cruce, Edith Stein, 50 jaar oud.


Edith Stein († 1942; feest 9 augustus 1942)
Voor Rond Zending: 2009, mei. Thema ‘Verkiezingen’

4

Is er een heilige die iets heeft met verkiezingen? Jazeker. De bekeerde jodin en beroemd filosoof Edith Stein die als Zuster Benedicta van het Kruis was ingetreden in de Karmel te Keulen.
In het voorjaar van 1938 schreven de nazi’s verkiezingen uit: “Ja of Nee tegen Hitler!” Het geweld van de nazi’s jegens tegenstanders en joden was intussen zo duidelijk geworden dat niemand er nog aan voorbij kon zien.
We citeren uit de levensbeschrijving van haar novicemeesteres:

‘Vanzelfsprekend kwam ook bij Zuster Benedicta geregeld de gedachte op of zij niet weg moest gaan. Vooral als zij hoorde van de pesterijen waaronder mensen te lijden hadden die relaties met joden onderhielden. Dan was ze bezorgd voor haar medezusters in de Keulse Karmel.
Maar Moeder Overste verbood haar daarover te spreken, om geen onrust aan te wakkeren. Toen kwam de beslissende dag van de definitieve Hitlervekiezing.

“Ja tegen de Führer,” stond er kortweg te lezen op elke boom langs de straat waaraan de Karmel lag.
Bij de laatste verkiezing was er al een incident geweest. Een niet-Ariër had geen stemrecht.
Dat betekende voor Zuster Benedicta dat zij thuis moest blijven, terwijl de andere zusters met bijzondere toestemming van de bisschop hun slotklooster verlieten om zich naar het stemlokaal te begeven.
Diezelfde avond hadden zich twee heren gemeld in de spreekkamer. Zij hadden geconstateerd dat Mevrouw Edith Stein als enige van de kloosterbewoonsters haar stem niet was komen uitbrengen, naar zij veronderstelden uit nalatigheid. Maar ze hadden een auto en waren gaarne bereid haar even heen en weer naar het stemlokaal te brengen.
Dit bericht werd door de gastenzuster aan Zuster Benedicta en de priorin overgebracht. Benedicta wilde haar afkomst niet verraden. Een andere reden om niet te gaan stemmen was er niet.
“Oké,” sprak ze eenvoudig, “als de heren zoveel waarde hechten aan mijn neestem, dan zal ik ze dat genoegen doen.” Ze schoot in haar schoenen en ging mee…

Maar de 10e april 1938 lag de zaak ernstiger. Het was intussen zonneklaar hoe antichristelijk en antigodsdienstig het nationaalsocialisme en het beleid van Hitler waren.
Zelfs de meest onnozele Duitser moest in de gaten hebben waar de regering op aanstuurde. Tegelijk was de macht van de autoriteiten in een gewelddadig schrikbewind veranderd. Iedereen was bang. Ook in de Keulse Karmel heerste grote onduidelijkheid over de vraag hoe men zich nu moest opstellen.
De geheime staatspolitie had al hier en daar kloosterlingen uit hun kloosters gegooid en zonder uitstel keihard op straat gezet.
In de Keulse Karmel verwachtte men dat dit elk ogenblik ook met hen zou kunnen gebeuren. Zouden zij niet nodeloos de aandacht trekken van de overheid, als zij zich opzichtig zouden gedragen? Zou het niet veel beter zijn helemaal niet te gaan stemmen?
Trouwens, zo meenden de meeste zusters, het maakte toch niks uit waarop je zou stemmen: de uitslag was allang voorgekookt. In alle kiesdistricten zouden de nazi’s ongetwijfeld aan de benodigde meerderheid komen.
Maar tegen die houding kwam Zuster Benedicta heftig in opstand. Waar ze anders een toonbeeld was van zachtmoedigheid en toegeeflijkheid, was ze nu onherkenbaar.
Geagiteerd bezwoer ze de zusters hun neestem tegen Hitler uit te brengen, ongeacht de gevolgen die dat eventueel met zich mee zou brengen. Hij was een vijand van God en zou Duitsland met zich in het verderf storten. Dat maakte de verwarring onder de zusters nog groter.
Het werd nog erger toen op de verkiezingsdag zelf zich in het klooster een afvaardiging meldde van het stembureau compleet met stembus. De zusters mochten immers eigenlijk het slot niet verlaten; dus kwamen zij de dames tegemoet. De priorin protesteerde: de communiteit had graag het goede voorbeeld willen geven aan andere burgers in de stad door te gaan stemmen…
Het hielp niets. Eén voor één werden de zusters in alfabetische volgorde opgeroepen en dienden zij hun stem uit te brengen. Tegen het einde zei de voorzitter tegen Moeder Overste:
“Ze zijn nog niet allemaal geweest. We missen nog Anna Fitzeck.”
“Die kan niet stemmen.”
“Waarom niet?”
“Zij is dement.”
“En mevrouw Edith Stein? Die heeft ook niet gestemd.”
“Die mag niet stemmen.” “Natuurlijk wel, ze is in 1891 geboren.”
“Met ijzige kalmte kwam het antwoord:
“Zij is niet Arisch.”
De drie heren deinsden terug. Toen riep er een:
“Wilt u dat noteren: zij is niet Arisch!”
In grote haast verlieten zij de Karmel.’

Diezelfde week ging er een verzoek naar de Karmel in Echt, even over de grens met Nederland of zij plek hadden voor een zuster die toe was aan ‘verandering van lucht’. De rest weten we. Daar werd ze op 2 augustus 1942 opgehaald. Een week later stierf ze in het vernietigingskamp Auschwitz.


Edith Stein († 1942; feest 9 augustus 1942)
De kracht van de stilte
Voor Rond Zending: 2009, juli/augustus. Thema ‘Stilte’

3 'Groepsportret van een heilige vrouw'

Dat stilte niet alleen passiviteit maar juist het aanboren van ongekende krachtbronen kan betekenen beschrijft Edith Stein in een van haar brieven:

“In de eeuwige stilte aan de binnenkant van Gods Leven werd besloten tot de Verlossing. In de verborgenheid van het stille kamertje van Nazareth kwam de kracht van de Heilige Geest over de Maagd die in eenzaamheid zat te bidden; zo kwam de menswording van de Heiland tot stand. Verzameld rond de stil biddende Maagd wachtte de Kerk, die op het punt stond geboren te worden, de beloofde komst van de Heilige Geest af: deze moest haar inspireren tot innerlijke verlichting en tot activiteit die blijvend vrucht zou dragen. In de nacht van de blindheid waarmee God Saulus had geslagen, wachtte hij het antwoord af op de vraag die hij had gesteld: ‘Heer, wat wilt u dat ik doe?’ In eenzaam gebed werd Petrus voorbereid op zijn zending onder de heidenen. En zo gaat dat alle eeuwen door. In de eenzame samenspraak van elke toegewijde ziel worden de gebeurtenissen voorbereid die in de kerkgeschiedenis zichtbaar worden, en welke het aanschijn der aarde vernieuwen. De maagd, die alle van God afkomstige woorden in haar hart bewaarde, is het voorbeeld van die luisterende zielen; in hen wordt Jezus’ hogepriesterlijk gebed telkens weer vernieuwd…”

Bronnen
  Al eens onze andere site: www.beeldmeditaties.nl bezocht?

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 4 mrt 2016

Een greep uit wat deze website verder te bieden heeft:
VoorwoordLeeswijzerHoe wordt men heilig?VerantwoordingBronnenWoordenboek  
KerstafbeeldingenDe 12 apostelenPausenCitatenTante CatoArchiefTegelsBladwijzersNieuw
Tenslotte: een overzicht van alle hoofd- en submenu's van deze website